Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7098

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-10-2011
Datum publicatie
11-10-2011
Zaaknummer
11-1002 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van besluit met betrekking intrekking van de AAW/WAO-uikering. De door appellant overgelegde medische informatie wordt aangemerkt als nieuwe feiten en omstandigheden. Het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts heeft op voldoende zorgvuldige wijze plaatsgevonden en de bevindingen kunnen de daaruit getrokken conclusie kunnen rechtvaardigen. Het Uwv heeft in redelijkheid tot het bestreden besluit kunnen komen. Overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1002 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 20 januari 2011, 09/2634

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.F. Desloover, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarbij een rapportage van bezwaarverzekeringsarts J. Coehoorn van 8 maart 2011 is overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Desloover. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Visch.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft vanaf 28 september 1990 een uitkering ontvangen ingevolge de Algemene arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Bij besluit van 13 augustus 1991 heeft (de rechtsvoorganger van) het Uwv de AAW/WAO-uitkering van appellant met ingang van

1 oktober 1991 ingetrokken.

1.2. Op 3 mei 2007 heeft appellant bij het Uwv een verzoek ingediend om terug te komen van het besluit van 13 augustus 1991. Bij besluit van 10 oktober 2007 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen op de grond dat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn die ertoe leiden dat het eerder genomen besluit onjuist zou zijn. Bij besluit van 14 maart 2008 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 10 oktober 2007, onder verwijzing naar een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 29 februari 2008, ongegrond verklaard.

1.3. Bij uitspraak van 22 april 2009, 08/1141, heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 maart 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de door appellant in de bezwaarfase naar voren gebrachte medische informatie wel als nieuwe feiten en omstandigheden dient te worden aangemerkt en dat het Uwv, gelet daarop, in redelijkheid niet zonder nader onderzoek had mogen concluderen dat het niet aannemelijk was dat de sarcoïdose niet reeds in 1991 bij appellant aanwezig was. De rechtbank was dan ook van oordeel dat het besluit op bezwaar met het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 29 februari 2008 onvoldoende gemotiveerd was.

1.4. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 22 april 2009 heeft het Uwv op 22 september 2009 een nieuw besluit op bezwaar genomen (hierna: bestreden besluit), waarbij het bezwaar van appellant, onder verwijzing naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Coehoorn van 3 september 2009, opnieuw ongegrond is verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts, waarbij zij in aanmerking heeft genomen dat de onderzoeksmethoden, argumenten en bevindingen schriftelijk zijn vastgelegd in de rapportage van 3 september 2009. De rechtbank achtte het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts inzichtelijk en afdoende gemotiveerd, waarbij is verwezen naar eerdere rapportages en waarbij zij de medische informatie vanaf 1990 bij haar beoordeling heeft betrokken.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 22 april 2009 zijn onderzoeksverplichting onvoldoende heeft opgevat en ingevuld doordat de bezwaarverzekeringsarts heeft volstaan met dossieronderzoek, literatuuronderzoek en overleg met collega’s. Volgens appellant is onvoldoende aandacht gegeven aan de door hem overgelegde medische informatie van de longarts prof. dr. M. Drent en van de internist-infectioloog P.P.A.M. van Thiel. Voorts heeft appellant gesteld dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over zijn verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn in de procedure.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt als volgt.

4.1. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om een verzoek van een belanghebbende om van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsing zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijke voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in zulk geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

4.2. Gelet op het oordeel van de rechtbank in haar uitspraak van 22 april 2009 is tussen partijen niet meer in geschil dat de door appellant overgelegde medische informatie als nieuwe feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb dient te worden aangemerkt. Derhalve ligt in dit geding de vraag ter beantwoording voor of het Uwv daarin aanleiding had behoren te zien om terug te komen van het besluit van

13 augustus 1991.

4.3. De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts inzichtelijk heeft gerapporteerd, waarbij is gereageerd op de door appellant overgelegde informatie, en dat haar conclusies gemotiveerd zijn weergegeven. In de door appellant overgelegde informatie van de longarts wordt aangegeven dat de vermoeidheid, die sinds 1985 bestaat, in 1991 mogelijk verklaard zou kunnen worden vanuit de sarcoïdose die in 1996 bij appellant is gediagnosticeerd. Deze longarts heeft later nog aangegeven dat de klachten zouden kunnen passen bij small fiber neuropathie. In reactie hierop heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapportage van 3 september 2009 aangegeven dat die informatie geen aanleiding geeft om een ander standpunt in te nemen over de belastbaarheid in 1991, omdat op grond van de aanwezige gegevens gesteld moet worden dat er toen nog geen sprake was van sarcoïdose. De diagnose is pas in 1996 gesteld en uit de uitgebreide onderzoeken die in 1991/1992 hebben plaatsgevonden blijkt niet dat er toen reeds aanwijzingen waren voor sarcoïdose; met name is duidelijk beschreven dat de BSE en X-thorax (die in 1996 duidelijk afwijkend waren) toen nog normaal waren. Dat de longarts in 2007 schrijft dat er in het verleden ook al sprake kan zijn geweest van sarcoïdose zonder dat dit herkend is, doet hier volgens de bezwaarverzekeringsarts niet aan af omdat de longarts niet beschikte over gegevens uit die periode. Bovendien kan volgens de bezwaarverzekeringsarts uit de aanwezige informatie uit 1996 ook nog geconcludeerd worden dat het klachtenpatroon pas kort voor het stellen van de diagnose duidelijk gewijzigd is, hetgeen er ook op wijst dat de sarcoïdose pas kort voor 1996 is ontstaan. Ook op basis van literatuuronderzoek stelt de bezwaarverzekeringsarts dat appellant in 1991 nog geen sarcoïdose kan hebben gehad. Dat vermoeidheid al vijf jaar bestaat voordat sarcoïdose ontstaat, heeft zij in de literatuur niet kunnen terugvinden. Naar neuropathie als oorzaak van de klachten van appellant is nooit onderzoek verricht en ook al zou dit nu met onderzoek kunnen worden aangetoond, dan zegt dit nog niets over 1991. De neuropathie ontstaat secundair aan sarcoïdose en kan dus in 1991 niet aan de orde zijn. De bezwaarverzekeringsarts concludeert dan ook dat, ook gelet op deze nieuwe feiten, er in 1991 geen sprake was van een ziekte of gebrek. Op de in beroep overgelegde medische informatie heeft de bezwaarverzekeringsarts gereageerd in haar rapportage van 30 juli 2008. Ook naar aanleiding van die informatie heeft de bezwaarverzekeringsarts gemotiveerd aangegeven dat daarin geen argumenten worden gevonden waaruit blijkt dat de vermoeidheidsklachten in 1991 al vanuit de in 1996 gediagnosticeerde sarcoïdose konden worden verklaard.

4.4. Naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de bezwaarverzekeringsarts op 8 maart 2011 nader gerapporteerd. Daarin heeft zij aangegeven dat zij overleg heeft gehad met meerdere collega’s en dat het inschakelen van een deskundige niets kan toevoegen, omdat deze ook niet verder zou kunnen komen dan de veronderstelling dat de vermoeidheid in 1991 zou kunnen samenhangen met de later gediagnosticeerde sarcoïdose.

4.5. Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen is de Raad van oordeel dat het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat de bevindingen de daaruit getrokken conclusie kunnen rechtvaardigen. Mitsdien kan niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen, dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden bevestigd.

5.1. Naar aanleiding van de door appellant aangevoerde grond dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over zijn verzoek om immateriële schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in verband met de lange duur van de procedure overweegt de Raad het volgende.

5.2. De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de complexiteit van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de procesgang en de aard van het besluit en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de rechten van de Mens (EHRM) naar voren komt.

5.3. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat op grond van de rechtspraak van het EHRM de behandeling van -onder meer- sociale zekerheidszaken in dit verband bijzondere aandacht vereist. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in 5.2 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduur gerechtvaardigd te achten.

5.4. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 31 december 2010 (LJN BP0852) is de Raad in de lijn met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 maart 2009 (LJN BH4667) van oordeel dat in een geval waarin in beroep bij de rechtbank is aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden, de rechtbank daarover een oordeel dient te geven, uitgaande van de onder 5.3 genoemde behandelingsduur voor bezwaar en beroep. Uit de daar genoemde uitspraak van

26 januari 2009 volgt dat de nog als redelijk aan te merken termijn voor de procedure als geheel na bezwaar en beroep in beginsel twee jaar bedraagt.

5.5. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 15 april 2009 (LJN BI2044) is de Raad van oordeel dat in een geval als dit, waarin een vernietiging door de rechtbank van een besluit op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en eventueel een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan wordt toegerekend.

5.6. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op 25 oktober 2007 van het bezwaarschrift tegen het primaire besluit van 10 oktober 2007 tot de datum van de aangevallen uitspraak waren drie jaar en bijna drie maanden verstreken. Uit overweging 5.3 volgt dat ten tijde van de aangevallen uitspraak een termijn van twee jaar nog als redelijk is aan te merken. De Raad heeft noch in de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch in de opstelling van appellant aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat de lengte van de procedure ten tijde van de aangevallen uitspraak meer dan twee jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn was derhalve op het moment van de aangevallen uitspraak met een jaar en bijna drie maanden overschreden. De procedures bij de rechtbank hebben beide minder dan anderhalf jaar geduurd, zodat de Raad vaststelt dat de overschrijding voor rekening van het Uwv komt. Dat betekent dat het Uwv zal worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan appellant tot een bedrag van € 1500,--.

5.7. De aangevallen uitspraak zal dan ook worden vernietigd voor zover de rechtbank heeft nagelaten een oordeel te geven over het verzoek van appellant om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 874,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal derhalve € 1.518,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank heeft nagelaten een oordeel te geven over het verzoek van appellant om schadevergoeding;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van schadevergoeding ten bedrage van

€ 1.500,--;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.518,--, te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv het aan appellant betaalde griffierecht van € 151,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM