Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT7033

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2011
Datum publicatie
10-10-2011
Zaaknummer
11-766 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omzetting studiefinanciering naar de norm voor een thuiswonende studerende. Appellante heeft verwijtbaar nagelaten om tegelijkertijd met of kort nadat zij bij de Minister haar woonadres had gewijzigd zich tevens op dat adres aan te melden bij de gemeente. Appellante heeft bovendien niet adequaat gereageerd op de waarschuwingsbrief van 14 augustus 2009.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/766 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats 1] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 december 2010, 09/1729 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister).

Datum uitspraak: 7 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H. van der Heide-Boertien, advocaat te Delft, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Heide-Boertien. De Minister was vertegenwoordigd door mr. T. Holtrop.

II. OVERWEGINGEN

1. Per 1 januari 2010 is de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (IB-Groep) in rechte opgevolgd door de Minister. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.

2.1. Bij brieven van 14 augustus 2009 heeft de Minister appellante gemeld dat het woonadres dat zij aan de Minister heeft opgegeven ([adres 2 met huisnummer] 1 te [woonplaats 2]) in de maand juli 2009 afwijkt van het adres waarop zij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) staat ingeschreven ([adres 1] te [woonplaats 1]). Appellante is in die brief gewaarschuwd dat indien zij de afwijking tussen het bij de Minister en de GBA geregistreerde woonadres niet binnen vier weken ongedaan maakt, de haar toegekende beurs naar de norm voor een uitwonende studerende vanaf juli 2009 wordt omgezet in een beurs naar de norm voor een thuiswonende studerende.

2.2. Vervolgens heeft de Minister bij besluit van 17 oktober 2009 de aan appellante toegekende studiefinanciering met ingang van juli 2009 omgezet in studiefinanciering naar de norm voor een thuiswonende studerende. Het hiertegen door appellante ingediende bezwaar is bij besluit van 26 november 2009 door de Minister ongegrond verklaard onder verwijzing naar artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Overwogen is daartoe dat appellante heeft verzuimd de afwijking tussen het woonadres dat zij aan de Minister heeft opgegeven en hetgeen is geregistreerd in de GBA ongedaan te maken en dat niet is gebleken dat appellante van deze afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. In de GBA is appellante op 27 augustus 2009 ingeschreven op het adres [adres 2 met huisnummer] 2 te [woonplaats 2] maar hiermee was het aan de Minister opgegeven woonadres ([adres 2 met huisnummer] 1 te [woonplaats 2]) nog niet gelijk aan het GBA-adres.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 26 november 2009 ongegrond verklaard.

4. Appellante heeft zich in hoger beroep primair op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake was van een adresafwijking. Het feitelijk woonadres was [adres 2 met huisnummer] 1 te [woonplaats 2]. Het GBA-adres [adres 2 met huisnummer] 2 te [woonplaats 2] is een niet bestaand woonadres. Dit adres wordt door de gemeente louter om administratieve redenen gebruikt. Subsidiair heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat haar van de adresafwijking redelijkerwijs een verwijt kan worden gemaakt. De brief van

14 augustus 2009 zag op de discrepantie tussen het feitelijk woonadres [adres 2 met huisnummer] 1 en het voormalige (thuis)adres te [woonplaats 1]. Voorts was er voor appellante geen aanleiding het door de gemeente gebruikte administratieve adres door te geven aan de Minister nu het feitelijk woonadres niet was gewijzigd.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De Raad stelt allereerst vast dat er ten tijde van belang sprake was van een afwijking in de zin van artikel 1.5 van de Wsf 2000. Immers, appellante had aan de Minister (met ingang van 29 juni 2009) als woonadres opgegeven [adres 2 met huisnummer] 1 te [woonplaats 2], terwijl zij in de GBA (met ingang van 27 augustus 2009) stond ingeschreven op [adres 2 met huisnummer] 2 te [woonplaats 2]. Dat de gemeente, zoals appellante stelt, het adres [adres 2 met huisnummer] 2 louter om administratieve redenen hanteert kan niet aan afdoen aan de vaststelling dat dat adres het in de GBA geregistreerde adres was.

5.2. De Raad is vervolgens van oordeel dat niet is gebleken dat appellante van deze afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.

Appellante heeft verwijtbaar nagelaten om tegelijkertijd met of kort nadat zij bij de Minister haar woonadres had gewijzigd in [adres 2 met huisnummer] 1 te [woonplaats 2] zich tevens op dat adres aan te melden bij de gemeente Noord-Beveland. Appellante heeft bovendien niet adequaat gereageerd op de waarschuwingsbrief van 14 augustus 2009. Appellante is met deze brief gewezen op het bestaan van een afwijking tussen het aan de Minister doorgegeven woonadres en het in de GBA geregistreerde adres en welke gevolgen het zou hebben indien er na vier weken nog steeds een adresafwijking zou bestaan. Appellante heeft daarop weliswaar tijdig actie ondernomen door zich op 27 augustus 2009 in te schrijven in de gemeente Noord-Beveland, echter nu zij wist dat zij in afwijking van het in de aangifte van vestiging opgegeven woonadres [adres 2 met huisnummer] 1 te [woonplaats 2] in de GBA werd ingeschreven op het adres [adres 2 met huisnummer] 2 te [woonplaats 2], wist ze op dat moment dat er nog steeds een adresafwijking in de zin van art. 1.5 van de Wsf 2000 bestond. Het had dan ook op haar weg gelegen om terstond, in ieder geval binnen de in de brief van 14 augustus 2009 gestelde termijn, bij de gemeente aan te dringen op alsnog inschrijving op nummer 1 gelet op het belang in het kader van de Wsf 2000. Tegelijkertijd had appellante met de Minister in contact moeten treden over het gerezen probleem. Dat zij na afloop van die termijn (na het besluit van 17 oktober 2009) wel contact heeft gezocht met (een medewerker van) de Minister is - reeds omdat dit te laat was - geen reden om de adresafwijking niet verwijtbaar te achten.

De Raad voegt hieraan toe dat de veronderstelling van appellante dat omdat haar feitelijk woonadres niet was gewijzigd zij geen verdere actie behoefde te ondernemen ten aanzien van de adresdiscrepantie tussen de nummers 1 en 2, onjuist is en voor haar risico en rekening komt.

5.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2011.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) H.L. Schoor.