Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT6994

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2011
Datum publicatie
10-10-2011
Zaaknummer
11-431 Wajong
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering een Wajong-uitkering toe te kennen. Deugdelijke arbeidskundige grondslag. Appellante was aan het einde van de wachttijd niet ongeschikt voor “haar arbeid” aangezien zij met de voorgehouden functies in staat was om ten minste het minimumloon te verdienen.

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2011/314
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/431 Wajong

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 29 november 2010, 10/1136 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2011. Namens appellante is verschenen mr. De Jong. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.H.M. Schalkwijk.

II. OVERWEGINGEN

1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) zoals die luidden tot 1 januari 2010.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellante tegen het besluit van 18 februari 2010, waarbij het Uwv, na bezwaar, heeft gehandhaafd zijn weigering appellante een Wajong-uitkering toe te kennen per 31 juli 2006, respectievelijk per 17 februari 2009.

2.2. Naar het oordeel van de rechtbank berust het besluit van 18 februari 2010, voor zover het betrekking heeft op de datum in geding van 31 juli 2006, op een deugdelijke en arbeidskundige grondslag. Het Uwv heeft terecht geconcludeerd dat appellante per 31 juli 2006 met de voor haar geschikt geachte functies meer dan het wettelijk minimumloon kan verdienen en dat er derhalve geen sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wajong.

2.3. Vervolgens heeft de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 november 2009, LJN BK3730, geoordeeld dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellante binnen vier weken na de toename van haar klachten op 20 januari 2009 niet in aanmerking kan worden gebracht voor een Wajong-uitkering. Omdat appellante op en na 31 juli 2006 niet ongeschikt was tot het verrichten van “haar arbeid”, voldoet zij niet aan het bepaalde in artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wajong.

3.1. In hoger beroep heeft appellante evenals in beroep aangevoerd dat haar arbeidsbeperkingen ernstiger zijn dan door de verzekeringsartsen ingeschat en dat de haar voorgehouden functies gezien haar belastbaarheid ongeschikt zijn.

Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat zij in ieder geval vanaf 27 juni 2006, de datum waarop zij onder behandeling is gekomen van de psychiater J.L. van der Geld, volledig arbeidsongeschikt is om te werken.

3.2. Met betrekking tot de weigering haar wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid ingaande 17 februari 2009 op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wajong uitkering toe te kennen, heeft appellante betoogd dat het Uwv deze bepaling onjuist interpreteert. Met de uitleg die het Uwv voorstaat kan deze bepaling nimmer tot een uitkering leiden. Verder leidt deze uitleg tot strijd met het gelijkheidsbeginsel als bedoeld in artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR).

4.1. De Raad verwijst in de eerste plaats naar zijn uitspraak van heden in de zaak 10/4994 Wajong. Met betrekking tot de onderhavige data komt de Raad tot de volgende beoordeling.

4.2. Met betrekking tot de weigering per 31 juli 2006 oordeelt de Raad dat de rechtbank de gronden die in beroep zijn ingediend en in hoger beroep zijn herhaald afdoende heeft besproken en genoegzaam heeft gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd leidt de Raad niet tot het oordeel dat de Functionele Mogelijkhedenlijst van 9 januari 2009 geen juist beeld geeft van de psychische beperkingen van appellante op de datum in geding 31 juli 2006.

De Raad ziet geen aanleiding de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag op 1 augustus 2005, zoals die door de verzekeringsarts in zijn rapport van 9 januari 2009 is onderbouwd, voor onjuist te houden. Appellante is rond die tijd verkracht en is gestopt met haar opleiding. Appellante was aan het einde van de wachttijd niet ongeschikt voor “haar arbeid” aangezien zij met de voorgehouden functies in staat was om ten minste het minimumloon te verdienen.

4.3. Met betrekking tot de weigering per 17 februari 2009 overweegt de Raad dat appellante na haar ziekmelding per 20 januari 2009 niet in aanmerking komt voor toekenning van een Wajong-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wajong, omdat zij niet voldoet aan de voorwaarde van ongeschiktheid tot het verrichten van haar arbeid aan het einde van de wachttijd. De Raad verwerpt het betoog van appellante dat deze bepaling nimmer kan leiden tot een Wajong-uitkering. Als een betrokkene vanwege zijn beperkingen per einde wachttijd niet volledig het minimumloon kan verdienen, maar wel een zodanig loon dat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt is, dan is de betrokkene wel arbeidsongeschikt voor zijn arbeid. In dat geval kan hij een beroep doen op artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wajong. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 18 november 2009, LJN BK3730. Ook de aangevoerde grond van appellante dat sprake is van strijd met het gebod van gelijke behandeling omdat een jonggehandicapte die per einde wachttijd het volledige minimumloon kan verdienen geen beroep kan doen op artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wajong, maar een jonggehandicapte die per einde wachttijd minder dan het volledige minimumloon kan verdienen wel, faalt nu niet gesproken kan worden van ongelijke behandeling van gelijke gevallen.

4.4. Het hoger beroep slaagt niet.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2011.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) H.L. Schoor.