Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT6987

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2011
Datum publicatie
10-10-2011
Zaaknummer
10-6743 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omzetting studiefinanciering naar de norm voor een thuiswonende studerende. Appellante heeft verzuimd de afwijking tussen het woonadres dat zij aan de Minister heeft opgegeven en hetgeen is geregistreerd in de GBA tijdig ongedaan te maken en dat niet is gebleken dat appellante van deze afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6743 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 4 november 2010, 09/2256 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister).

Datum uitspraak: 7 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. O.P. van der Linden, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Linden. De Minister was vertegenwoordigd door mr. T. Holtrop.

II. OVERWEGINGEN

1. Per 1 januari 2010 is de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (IB-Groep) in rechte opgevolgd door de Minister. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.

2.1. Bij brieven van 11 april 2009 heeft de Minister appellante gemeld dat het woonadres dat zij aan de Minister heeft opgegeven ([adres 1] te Utrecht) in de maand maart 2009 afwijkt van het adres waarop zij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) staat ingeschreven ([adres 2] te Utrecht). Appellante is in die brief gewaarschuwd dat indien zij de afwijking tussen beide adressen niet binnen vier weken ongedaan maakt, de haar toegekende beurs naar de norm voor een uitwonende studerende vanaf maart 2009 wordt omgezet in een beurs naar de norm voor een thuiswonende studerende.

2.2.1. Via de internetsite van de Minister heeft appellante op 14 april 2009 aan de Minister per die datum de volgende wijziging doorgegeven: Woonadres studiefinanciering: [adres 1] te Utrecht; Postadres studiefinanciering: [adres 2] te Utrecht.

2.2.2. Bij brief van 17 april 2009 is de onder 2.2.1 doorgegeven wijziging teruggemeld aan appellante. Op het bericht is onder Wijzigingen vermeld: Postadres per 14 april 2009: [adres 2] te Utrecht. Verder is in deze brief aangegeven dat de wijziging geen gevolgen heeft voor de toelage, waardoor de toelage onveranderd € 259,76 per maand bedraagt.

2.3. Vervolgens heeft de Minister bij besluit van 12 juni 2009 de aan appellante toegekende studiefinanciering met ingang van maart 2009 omgezet in studiefinanciering naar de norm voor een thuiswonende studerende (resulterend in een toelage van € 93,29 in plaats van € 259,76 per maand). Het hiertegen door appellante ingediende bezwaar is bij besluit van 28 juli 2009 door de Minister ongegrond verklaard onder verwijzing naar artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Overwogen is daartoe dat appellante heeft verzuimd de afwijking tussen het woonadres dat zij aan de Minister heeft opgegeven en hetgeen is geregistreerd in de GBA tijdig ongedaan te maken en dat niet is gebleken dat appellante van deze afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. Een postadreswijziging is niet aan te merken als een woonadreswijziging. Pas met de op 20 juni 2009 via internet aan de Minister doorgegeven woonadreswijziging was er sprake van adresovereenstemming.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 28 juli 2009 ongegrond verklaard.

4. Appellante heeft aangevoerd zich niet met de aangevallen uitspraak te kunnen verenigen.

5.1. Het hoger beroep van appellante tegen de aangevallen uitspraak treft geen doel. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt in essentie een herhaling van hetgeen zij in beroep naar voren heeft gebracht. De Raad ziet geen reden anders over deze gronden te oordelen dan de rechtbank bij de aangevallen uitspraak heeft gedaan en sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank.

5.2. De Raad voegt hier het volgende aan toe. Het betoog van de gemachtigde van appellante berust op een onjuiste opvatting over de betekenis en strekking van de brief van de Minister van 17 april 2009. De brief van 17 april 2009 vormt naar het oordeel van de Raad een volstrekt adequate reactie op hetgeen appellante op 14 april 2009 via internet aan de Minister had opgegeven: het opgeven van een postadres voor de studiefinanciering (met daarnaast een bevestiging van het bij de Minister geregistreerde woonadres). Er was voor de Minister geen aanleiding om ervan uit te gaan dat de op 14 april 2009 via internet doorgegeven wijziging een - kennelijk onjuiste - reactie was op de waarschuwingsbrief van 11 april 2009. Het staat een studerende op ieder moment, ook gedurende een adrescontrole in het kader van artikel 1.5 van de Wsf 2000, vrij aan de Minister een postadres door te geven zoals appellante heeft gedaan op 14 april 2009. Dat staat buiten, en laat onverlet, de mogelijkheid dat de studerende gedurende de hem geboden termijn het geconstateerde verschil in woonadres opheft door ofwel het aan de Minister opgegeven woonadres te wijzigen ofwel het in de GBA geregistreerde woonadres te laten wijzigen. Ten tijde van het versturen van de waarschuwingsbrieven is de Minister er ook niet van op de hoogte welk adres onjuist is.

5.3. Uit hetgeen in 5.1 en 5.2 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2011.

(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.

(get.) H.L. Schoor.

IvR