Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT6986

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2011
Datum publicatie
10-10-2011
Zaaknummer
10-6714 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6714 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 29 oktober 2010, 09/3322 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.C.L.J. Verhoeven, advocaat in Schijndel, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2011. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant is op 17 januari 1996 uitgevallen voor zijn werk als glazenwasser. Na het doorlopen van de wettelijke wachtperiode is hem met ingang van 14 januari 1997 een uitkering ingevolge onder meer de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op 1 december 2008 heeft de arts R. Ponsioen een medisch onderzoek verricht en na ontvangst van informatie van de behandelende KNO-arts dr. G. Thomas van 11, 17 en 31 december 2008 de beperkingen van appellant vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 21 januari 2009. Aansluitend heeft arbeidsdeskundige L.A. Bijnen functies geselecteerd tot het vervullen waarvan appellant in staat is geacht. Op grond van een vergelijking tussen het voor appellant geldende maatmaninkomen met de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste loonwaarde is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 15%. Bij besluit van 24 februari 2009 is de WAO-uitkering met ingang van 25 april 2009 ingetrokken.

2. In bezwaar heeft appellant aangevoerd dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn klachten, waarbij het gaat om onder meer darm-, gewrichts-, rug-, allergie- en stressklachten en de beperkingen als gevolg van chronische vermoeidheid. Er zou sprake zijn van een wisselende belastbaarheid. Voorts heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat hij onder meer vanwege zijn allergieklachten niet in staat is de hem voorgehouden functies te vervullen. Nadat bezwaarverzekeringsarts E.J.M. van Paridon aanvullende informatie van de behandelende sector had ontvangen, te weten een huisartsenjournaal, alsmede een brief van KNO-arts S. Bogaerts van 3 maart 2009, heeft zij de beoordeling door Ponsioen bevestigd. Een arbeidskundige heroverweging heeft geleid tot het laten vervallen van enkele van de voorgehouden functies, waarna opnieuw een functieselectie heeft plaatsgevonden. Appellant is geschikt bevonden voor de functie van productiemedewerker industrie met sbc-code 111180, de inpakker met sbc-code 111190, de productiemedewerker papier, karton, drukkerij met sbc-code 111174 en een tweetal reservefuncties. Bezwaararbeidsdeskundige F.J.M. van den Bliek heeft in haar rapportage van 3 september 2009 vastgesteld dat dit geen gevolgen heeft voor de berekende mate van arbeidsongeschiktheid. Bij besluit van 15 september 2009 (verder: besluit 1) is het bezwaar ongegrond verklaard.

3.1. Nadat tegen besluit 1 beroep was ingesteld bij de rechtbank, heeft het Uwv op 1 december 2009 een nieuw besluit op bezwaar van 1 december 2009 (verder: besluit 2) genomen, waarbij de WAO-uitkering van appellant per een latere datum, te weten 8 juli 2009 is ingetrokken, aangezien in besluit 1 verzuimd was om in verband met de nadere functieduiding in bezwaar een uitlooptermijn in acht te nemen.

3.2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant tegen besluit 1 op grond van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen besluit 2. De rechtbank heeft het beroep tegen besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen besluit 2 is ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat besluit 2 berust op een toereikende medische en arbeidskundige grondslag.

3.3. Met betrekking tot de medische grondslag heeft de rechtbank het verzekeringsgeneeskundige onderzoek voldoende zorgvuldig geacht en daartoe overwogen dat de arts naast dossieronderzoek, een anamnese, een lichamelijk onderzoek en een onderzoek van de psyche kennis heeft genomen van informatie van huisarts en de KNO-arts en vervolgens de beperkingen van appellant in een FML heeft vastgesteld. De bezwaarverzekeringsarts heeft naar aanleiding van de bezwaren van appellant na de hoorzitting desgevraagd nadere informatie van de behandelende sector verkregen. De rechtbank heeft in de gedingstukken geen redenen gevonden om aan de juistheid van de voor appellant geldende beperkingen te twijfelen. Dat geldt naar het oordeel van de rechtbank ook voor de in beroep overgelegde informatie van de behandelend KNO-arts van 16 maart 2010 en van de chiropractor R.E. Conger van 11 februari 2009. Voor de stelling van appellant dat sprake is van zeer wisselende mogelijkheden, waarbij korte periodes van verbetering worden afgewisseld met periodes van bedlegerigheid ziet de rechtbank in de beschikbare gegevens evenmin een bevestiging. De rechtbank heeft met verwijzing naar uitspraken van de Raad van 6 maart 2009, LJN BH5147 en 23 juni 2010, LJN BM9277 geoordeeld dat, voor zover appellant heeft bedoeld te stellen dat sprake is van te verwachten excessief ziekteverzuim, hiervoor in de beschikbare gegevens onvoldoende steun te vinden is.

3.4. Voorts heeft de rechtbank de arbeidskundige beoordeling door het Uwv onderschreven en geoordeeld dat de arbeidsdeskundige de passendheid van de functies in het rapport van 14 april 2009 afdoende heeft gemotiveerd.

4. Appellant heeft in hoger beroep - dat uitsluitend is gericht tegen de ongegrond verklaring van het beroep tegen besluit 2 - naast een herhaling van de eerdere beroepsgronden aangevoerd dat bij de functie van productiemedewerker industrie met sbc-code 111180 priegelwerk moet worden verricht, wat door de duimklachten problematisch is.

5.1. De Raad oordeelt als volgt.

5.2. De Raad heeft evenals de rechtbank in de stukken geen aanleiding gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de voor appellant vastgestelde beperkingen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest.

De Raad onderschrijft met verwijzing naar overweging 3.3 het oordeel van de rechtbank volledig en maakt dit tot de zijne.

5.3. Ten aanzien van de gestelde onmogelijkheid om de functie van productiemedewerker industrie te vervullen vanwege duimklachten overweegt de Raad dat de bezwaararbeidsdeskundige op 24 maart 2011 nog voor een aanvullende toelichting ter zake heeft zorg gedragen. De Raad heeft in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten gevonden om aan de juistheid hiervan te twijfelen.

5.4. Uit hetgeen onder 5.2 en 5.3 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) N.S.A. El Hana.