Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT6976

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2011
Datum publicatie
10-10-2011
Zaaknummer
10-5563 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgestelde beperkingen. De Raad is van oordeel, dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd op grond waarvan men tot een gewijzigd inzicht is gekomen en dat het gewijzigde inzicht ook inhoudelijk juist is te achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5563 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 30 augustus 2010, 09/3229 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.K. Jap-A-Joe, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jap-A-Joe. Als tolk is M. Chibjani opgetreden. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.

II. OVERWEGINGEN

1. Op 12 januari 1999 heeft appellant zijn werkzaamheden als onderhoudsmonteur/conciërge voor 36 uur per week en als schoonmaker voor 10,5 uur week in verband met rugklachten gestaakt. Na het doorlopen van de wettelijke wachtperiode is hem met ingang van 11 januari 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een herbeoordeling heeft verzekeringsarts W.S. Vrijlandt op 26 november 2008 na kennisneming van informatie van de behandelende sector een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) zonder beperkingen opgesteld. Na onderzoek door arbeidsdeskundige D.J. Gootjes op 12 februari 2009 is de WAO-uitkering bij besluit van 19 februari 2009 per 20 april 2009 ingetrokken.

2. In bezwaar heeft appellant aangevoerd, dat het Uwv in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel heeft gehandeld en onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn beperkingen. Bewaarverzekeringsarts G.H. Nagtegaal heeft het oordeel van de verzekeringsarts bijgesteld en beperkingen aangenomen in verband met hoofdpijn, buikklachten en aanvallen van mediterrane koorts. Bezwaararbeidsdeskundige B. Gulmans heeft appellant ongeschikt geacht voor eigen werk en geschikt voor gangbare arbeid. Bij besluit van 5 oktober 2009 (verder: bestreden besluit) is het bezwaar gegrond verklaard en de WAO-uitkering per 6 december 2009 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

3. In beroep tegen het bestreden besluit zijn de eerdere gronden herhaald.

4. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

5. In hoger beroep zijn de eerder geformuleerde gronden herhaald.

6.1. De Raad oordeelt als volgt.

6.2. Allereerst stelt de Raad vast dat uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat het hoger beroep zich uitsluitend richt op de medische grondslag van het bestreden besluit. Daarbij heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat in het bijzonder de koortsaanvallen aanleiding geven om meer beperkingen aan te nemen, aangezien de aanvallen rond vijf maal per maand en daarmee meer frequent plaatsvinden dan waarvan het Uwv is uitgegaan. Bovendien zou een aanval langer duren. De Raad overweegt dat appellant zijn stelling inzake frequentie of duur van de aanvallen niet met objectief medische gegevens heeft onderbouwd. Ook in de in het dossier beschikbare medische gegevens ziet de Raad geen bevestiging van de door appellant ter zake ingenomen stelling. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgestelde beperkingen.

6.3. Wat betreft het beroep op het vertrouwensbeginsel is - naar de Raad uit het verhandelde ter zitting is gebleken - namens appellant weliswaar erkend dat een bestuursorgaan niet slechts bij een relevante wijziging in het medisch en/of arbeidskundig toestandsbeeld een eenmaal toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering kan herzien, maar is naar het oordeel van appellant onvoldoende komen vast te staan dat het gewijzigde inzicht van het Uwv juist is. Anders dan appellant is de Raad onder verwijzing naar overweging 6.2 van oordeel, dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd op grond waarvan men tot een gewijzigd inzicht is gekomen en dat het gewijzigde inzicht ook inhoudelijk juist is te achten.

6.4. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2011.

(get.) J.W. Schuttel

(get.) N.S.A. El Hana