Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT6973

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2011
Datum publicatie
10-10-2011
Zaaknummer
10-5395 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5395 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 18 augustus 2010, 09/4495 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.T. Martens, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, gevestigd te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 19 augustus 2001 zijn namens appellante nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Martens. Ook de echtgenoot van appellante was aanwezig. Het Uwv was vertegenwoordigd door M.J.H. Maas.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellante tegen het bestreden besluit van 1 oktober 2009. Bij dat besluit heeft het Uwv, voor zover van belang, onder gegrondverklaring van het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 april 2009, de naar een volledige mate van arbeidsongeschiktheid berekende uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van 1 november 2009 ingetrokken, op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per laatstgenoemde datum is afgenomen naar minder dan 15%.

1.2. De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, overwogen dat op grond van de beschikbare medische gegevens naar haar oordeel bij appellante niet te geringe medische beperkingen zijn aangenomen. De rechtbank heeft daarbij aangegeven dat en waarom appellante niet kan worden gevolgd in haar stelling dat ten onrechte door de verzekeringsartsen geen medische informatie is opgevraagd. Met name blijkt volgens de rechtbank uit de rapportages van de verzekeringsartsen dat zij op de hoogte waren van de door appellante gestelde klachten, waaronder de hand-, arm-, rug- en schouderklachten. De rechtbank heeft vastgesteld dat in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van

29 juli 2009 rekening is gehouden met de gewrichtsklachten van appellante aan onder meer rug, armen en handen, de klachten waarvoor zij onder behandeling is bij een reumatoloog.

1.3. De rechtbank heeft zich, daarbij mede gelet op het feit dat appellante in beroep geen (medisch objectiveerbare) informatie heeft overgelegd, waarmee haar stelling op dit punt wordt onderbouwd, ook kunnen verenigen met het standpunt van het Uwv dat een beperking van het aantal belastbare uren voor appellante niet langer aan de orde is.

1.4. Uitgaande aldus van de in de FML van 29 juli 2009 voor appellante vastgelegde belastbaarheid, heeft de rechtbank ten slotte geoordeeld dat in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies die belastbaarheid niet wordt overschreden. De passendheid van die functies is volgens de rechtbank, ook op de door appellante expliciet bekritiseerde aspecten, door de bezwaararbeidsdeskundige afdoende toegelicht.

2.1. In het namens appellante in hoger beroep ingediende beroepschrift wordt in de eerste plaats staande gehouden dat ten onrechte geen medische urenbeperking (meer) is aangenomen. Met de door haar verrichte arbeid - appellante doelt hierbij op de door haar verrichte werkzaamheden bij Campina als medewerkster catering en huishoudelijke dienst in een omvang van 19.5 uur per week - heeft appellante, zo begrijpt de Raad het gestelde, in de praktijk ervaren dat een dergelijke urenbeperking voor haar noodzakelijk is. Zij betwist dat er een relevante wijziging is gekomen in haar medische situatie, zodat de eerder wel aangenomen noodzaak voor een medische urenbeperking nog onverminderd aan de orde is.

2.2. Ter zitting heeft appellante voorts, onder verwijzing naar bij de in rubriek I vermelde brief van 19 augustus 2011 in het geding gebrachte nadere stukken, met nadruk gewezen op de problemen die zij ondervindt van haar gewrichtsklachten.

2.3. Appellante blijft ook bij haar opvatting dat de verzekeringsartsen in gebreke zijn gebleven om voldoende medische informatie op te vragen.

2.4. Ten slotte meent appellante, wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, dat de signaleringen bij de voor de schatting gebruikte functies nog steeds onvoldoende gemotiveerd zijn.

3.1. Het hoger beroep van appellante slaagt niet. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak en de overwegingen die de rechtbank daaraan ten grondslag heeft gelegd. De Raad maakt dat oordeel en die overwegingen tot de zijne.

3.2. Naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht, voegt de Raad daaraan in de eerste plaats nog toe dat hij zich in het bijzonder stelt achter het oordeel van de rechtbank dat appellante niet kan worden gevolgd in haar grief dat de verzekeringsartsen ten onrechte hebben nagelaten (nader) medische informatie over haar in te winnen. Uit de beschikbare medische rapporten, waarvan onder meer het rapport van verzekeringsarts D. van der Geest van 9 juni 2008, het rapport van verzekeringsarts N. Klein van 6 februari 2009 en het rapport van bezwaarverzekeringsarts L.T.M. Lenders van 29 juli 2009, komt genoegzaam naar voren dat de verzekeringsartsen bekend waren met de gehele medische voorgeschiedenis van appellante. Lenders heeft voorts nog gereageerd op van de zijde van appellante in beroep ingebrachte informatie van haar behandelend reumatoloog W. Hissink-Muller, als vervat in diens brief van 24 november 2009. Voor zover appellante wil betogen dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen om reden dat de bezwaarverzekeringsarts de informatie van Hissink-Muller niet voorafgaande aan de besluitvorming zelf heeft opgevraagd, kan zij ook daarin niet worden gevolgd, reeds omdat appellante eerst op 28 oktober 2009, derhalve na de datum van het bestreden besluit door die reumatoloog is gezien. Tot slot in dit verband: appellante heeft desgevraagd ook niet kunnen aangeven welke concrete medische informatie door de verzekeringsartsen bij hun oordeelsvorming zou zijn gemist.

3.3. De Raad stelt voorts vast dat appellante ook in hoger beroep geen op de datum in geding betrekking hebbende medische gegevens heeft overgelegd die kunnen dienen als objectief-medische onderbouwing van haar eigen opvatting dat haar beperkingen zijn onderschat. Ook voor de door appellante bepleite medische urenbeperking is geen objectief-medische noodzaak kunnen blijken. Uit het geheel van de omtrent appellante beschikbare medische gegevens komt naar voren dat de psychische problematiek waarmee zij destijds is uitgevallen grotendeels is opgeklaard, terwijl ook voor haar cardiale gezondheidssituatie geldt dat deze na operaties beduidend is verbeterd. Al met al heeft de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat met de in de FML, onder meer in verband met appellantes gewrichtsklachten, opgenomen beperkingen haar belastbaarheid niet juist is gewaardeerd.

3.4. De Raad heeft hierbij nog in aanmerking genomen dat van de zijde van het Uwv ter zitting is gereageerd op het in hoger beroep van de zijde van appellante ingebrachte medisch resumé van bedrijfsarts A.W.T.J.F. Langens, welke reactie mede tot stand is gekomen na voorafgaand overleg met de bezwaarverzekeringsarts. Essentie van die reactie is dat de in dat resumé vervatte informatie betrekking heeft op de medische situatie van appellante na de datum in geding. De Raad heeft geen aanleiding daarover in andere zin te oordelen, reeds nu bedoeld medisch resumé blijkens de aanhef daarvan betrekking heeft op verzuim van appellante dat een aanvang heeft genomen op 7 december 2009. Uit het resumé komt voorts naar voren dat, in het bijzonder wat betreft de door appellante benadrukte klachten aan haar handen, sprake is van een toename van klachten die zich heeft voorgedaan na de in dit geding ter beoordeling voorliggende datum 1 november 2009. Ook de overige stukken die in hoger beroep zijn ingebracht bevatten geen objectief-medische aanwijzingen voor onderschatting van appellantes beperkingen ten tijde hier van belang. In het hiervoor overwogene ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet om, zoals ter zitting namens appellante verzocht, het Uwv in de gelegenheid te stellen om alsnog - via de verzekeringsarts bezwaar en beroep - een schriftelijke reactie in te brengen op het meergenoemde medisch resumé en de overige in hoger beroep in het geding gebrachte stukken.

3.5. Ten slotte heeft de Raad in hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd ook geen aanleiding gevonden om de rechtbank niet te volgen in haar oordeel dat, uitgaande van de in de FML van 29 juli 2009 vastgelegde beperkingen, de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellante haalbaar zijn te achten. Zoals ook nog eens wordt geconcludeerd in het bij het verweerschrift in hoger beroep gevoegde rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 9 februari 2011, zijn de bij de functies voorkomende signaleringen adequaat van een motivering voorzien. De Raad acht deze conclusie juist.

3.6. Uit het overwogene onder 3.1 tot en met 3.5 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) N.S.A. El Hana.