Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT6966

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-10-2011
Datum publicatie
10-10-2011
Zaaknummer
10-309 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum toekenning Wajong-uitkering. De toekenning gaat niet vroeger in dan een jaar voor de dag waarop de aanvraag om toekenning is gevraagd. Geen bijzonder geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/309 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 9 december 2009, 08/3078 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 7 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.A.P.F. Hoens, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij fax van 8 juli 2010 heeft appellant een brief van zijn huisarts K.M. van den Berg van 25 juni 2010 ingebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hoens. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

II. OVERWEGINGEN

1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari 2010.

2. Bij besluit van 30 september 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit van 29 april 2008 dat inhoudt dat appellant per 19 oktober 2006 een Wajong-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, wordt toegekend. Het Uwv stelde deze ingangsdatum van de Wajong-uitkering vast in verband met de ontvangst van de aanvraag van appellant op 19 oktober 2007.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe – kort samengevat – overwogen dat de beroepsgrond van appellant dat het Uwv bij het bestreden besluit ten onrechte heeft vastgesteld dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wajong geen doel treft.

4. Appellant heeft in beroep en in hoger beroep aangevoerd dat de Wajong-uitkering ten onrechte niet met verdergaande terugwerkende kracht is toegekend. Ter zitting heeft appellant in dit kader desgevraagd aangegeven dat de Wajong-uitkering vanaf 1999 had moeten worden toegekend.

Appellant stelt zich op het standpunt dat hem geen verwijt kan worden gemaakt dat hij niet eerder een Wajong-aanvraag heeft ingediend. Ter ondersteuning hiervan heeft appellant reeds in beroep gewezen op de jurisprudentie van de Raad, te weten zijn uitspraken van 4 maart 2005 (LJN AT1537), 9 januari 2009 (LJN BG9899) en 1 april 2009 (LJN BH9419). Appellant is van mening dat, nu hij in het verleden contact heeft gehad met diverse instanties en verzekeringsartsen (in verband met diverse aanvragen), het op de weg had gelegen van de behandelende instanties om hem te wijzen op de mogelijkheid een Wajong-uitkering aan te vragen, dan wel zijn aanvraag als een Wajong-aanvraag aan te merken.

5.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling

5.2.1. Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de Wajong kan in afwijking van het eerste lid de uitkering niet vroeger ingaan dan een jaar voor de dag waarop de aanvraag om toekenning dan wel voortzetting van de uitkering werd ingediend. Ingevolge de tweede volzin van die bepaling kan het Uwv voor bijzondere gevallen van de eerste zin afwijken.

5.2.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is sprake van een bijzonder geval indien appellant ter zake van de late aanvraag redelijkerwijs geacht moet worden niet in verzuim te zijn geweest. Zo’n situatie kan aan de orde zijn indien appellant buiten staat was tijdig een aanvraag in te dienen.

5.2.3. Voorts kan sprake zijn van een bijzonder geval indien appellant zijn ziekte ontkent en als gevolg daarvan geen aanvraag doet. Zulks kan met name aan de orde zijn bij psychotische en schizofrene mensen. De Raad wijst in dit verband op zijn uitspraak van 21 november 2001, LJN AD7077.

5.2.4. Verder levert noch onbekendheid met het bestaan van de Wajong, noch onbekendheid met de mogelijkheid een Wajong-uitkering aan te vragen een bijzonder geval op.

5.3.1. Bij formulier, gedateerd op 12 oktober 2007, heeft appellant het Uwv verzocht om toekenning van een Wajong-uitkering. Op dit formulier heeft appellant als reden dat hij niet binnen de in dit formulier aangegeven termijn een aanvraag heeft ingediend, gemeld dat hij niet met de termijn bekend was. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank is voorts gebleken dat appellant door zijn gemachtigde is gewezen op de mogelijkheid om een Wajong-aanvraag in te dienen.

5.3.2. Uit hetgeen appellant naar voren heeft gebracht valt naar het oordeel van de Raad niet af te leiden dat zich een situatie heeft voorgedaan als bedoeld in 5.2.2 of 5.2.3. Niet staande kan worden gehouden dat appellant buiten staat was eerder een aanvraag in te dienen. Uit het dossier is gebleken dat appellant zich in de afgelopen jaren meerdere malen tot verschillende instanties - al dan niet met hulp van familie - heeft gewend en aanvragen heeft ingediend.

5.3.3. Naar het oordeel van de Raad kan het bijzondere geval evenmin gelegen zijn in het feit dat appellant door het Uwv (en zijn rechtsvoorgangers) niet op het goede spoor zou zijn gezet. Wat hier ook van zij, in de voorhanden zijnde (medische) stukken, tot aan het in opdracht van het Uwv uitgebrachte expertiserapport van psycholoog S.A.M. de Vocht van 18 februari 2008, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden die er op wijzen dat appellant eerder in aanmerking kon komen voor een Wajong-uitkering. De Raad tekent daarbij aan dat in dit expertiserapport aanzienlijk verdergaande gegevens over belastende situaties uit de jeugdjaren van appellant naar voren komen dan appellant bij eerdere verzekeringsgeneeskundige onderzoeken voor het voetlicht heeft gebracht.

5.3.4. Ten slotte kan in de onder overweging 4 genoemde uitspraken van de Raad evenmin steun worden gevonden voor appellants opvatting dat er in zijn geval sprake is van een bijzonder geval.

5.4. Uit hetgeen is overwogen in 5.2.1 tot en met 5.3.4 volgt dat het Uwv bij het bestreden besluit niet ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat wat betreft de in geding zijnde aanvraag geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Wajong. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

6. Voor een proceskosten veroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2011.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M.A. van Amerongen.

NK