Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT6810

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-09-2011
Datum publicatie
06-10-2011
Zaaknummer
10 - 2300 TW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op toeslag. Gezamenlijke huishouding. De verklaring van appellante vormt een toereikende grondslag voor de conclusie dat appellante en [J.] in de periode in geding hun hoofdverblijf hadden op hetzelfde adres. De Raad ziet in de overgelegde GBA-gegevens geen aanleiding om te komen tot een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2300 TW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 9 maart 2010, 09/4237 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 27 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.K. Rack, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2011. Voor appellante is verschenen mr. Rack. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf 2 augustus 1999 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Aan appellante is per 24 oktober 1999 een toeslag toegekend op grond van de Toeslagenwet (TW), omdat haar inkomen was gelegen onder het niveau van 90% van het minimumloon voor ongehuwden met een kind beneden de 18 jaar, dat tot het huishouden behoort en waarvoor kinderbijslag wordt ontvangen. Het Uwv heeft de toeslag per 1 april 2002 beëindigd, op de grond dat haar inkomen en dat van haar partner samen hoger was dan het minimumloon.

1.2. Op 1 december 2008 is een rechtmatigheidsonderzoek gestart door het Uwv. In het kader hiervan is appellante gehoord en heeft zij op 5 maart 2009 een verklaring afgelegd. De bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 9 maart 2009. In het rapport wordt, op basis van de verklaring van appellante, onder meer geconcludeerd dat zij van 2 augustus 1999 tot 5 april 2004 samenwoonde met [J.] (hierna: [J.]) en hun gezamenlijke dochter.

1.3. Bij besluit van 12 maart 2009 heeft het Uwv onder meer bepaald dat appellante over de periode van 24 oktober 1999 tot 1 april 2002 geen recht heeft op een toeslag. Voorts heeft het Uwv bij besluit van 12 maart 2009 een boete opgelegd op de grond dat appellante de verplichting om informatie te verstrekken niet is nagekomen. Deze besluiten heeft het Uwv bij besluit op bezwaar van 14 september 2009 gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 14 september 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover daarbij de opgelegde boete was gehandhaafd en de boete bepaald op € 650,--.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij in de periode van 24 oktober 1999 tot 1 april 2002 (hierna: de periode in geding) niet heeft samengewoond met [J.]. Appellante beschouwt de verklaring die zij heeft afgelegd tegenover de inspecteur van het Uwv achteraf als een vergissing. Voorts heeft zij enkele uittreksels uit het GBA van de gemeente Arnhem overgelegd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder a, van de TW wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.

Op grond van artikel 1, vierde lid, TW is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. In het vijfde lid, aanhef en onder b, van dit artikel is bepaald, dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht, indien de betrokkenen hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de TW heeft een gehuwde recht op toeslag die per dag een inkomen heeft dat lager is dan € 65,49.

Op grond van artikel 6, eerste lid, van de TW wordt als inkomen aangemerkt:

a. voor een gehuwde: de som van het inkomen uit arbeid of overig inkomen van hemzelf en van zijn echtgenoot;

b. voor een ongehuwde: zijn inkomen uit arbeid of overig inkomen.

4.2. Tussen partijen is niet geschil dat in de periode in geding het inkomen van appellante en [J.] samen hoger was dan het minimumloon. In hoger beroep is slechts in geding of appellante in die periode een gezamenlijke huishouding voerde met [J.]. Nu vaststaat dat uit hun relatie een kind is geboren, is slechts aan de orde of appellante en [J.] in de periode in geding een gezamenlijk hoofdverblijf hadden.

4.3. Blijkens het daarvan op 5 maart 2009 opgemaakte rapport heeft appellante die dag tegenover een inspecteur van het Uwv, belast met handhaving, inspectie en opsporing onder meer het volgende verklaard en na voorlezing ondertekend:

“Ik ontvang vanaf 02-08-1999 een WAO-uitkering naar volledige arbeidsongeschiktheid. […] U vroeg mij naar mijn leefvorm vanaf het moment dat ik de WAO-uitkering ontvang. Ik was ongehuwd en woonde samen met mijn partner, de heer [J.]. […] Ook woonde ik samen met mijn dochter, [J.]. […] Wij woonden toen in [volgt adres]. Daarna zijn wij nog enkele malen verhuisd. Sinds april 2002 woon ik op dit adres […] Op 05 april 2004 heeft mijn partner mij verlaten. […]”

4.4. Naar vaste rechtspraak van de Raad mag van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en kan aan een latere intrekking van die verklaring geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. De verklaring van appellante is consistent en gedetailleerd en is zonder voorbehoud afgelegd. De Raad ziet in de enkele stelling van appellante dat zij zich heeft vergist dan ook onvoldoende grond om niet van deze verklaring uit te gaan.

4.5. De Raad is, met de rechtbank, van oordeel dat de verklaring van appellante een toereikende grondslag vormt voor de conclusie dat appellante en [J.] in de periode in geding hun hoofdverblijf hadden op hetzelfde adres. De Raad ziet in de overgelegde GBA-gegevens geen aanleiding om te komen tot een ander oordeel. Integendeel, daaruit volgt immers dat appellante en [J.] gedurende twee tijdvakken in de periode in geding op hetzelfde adres ingeschreven waren en dat er in de periode in geding sprake was van verscheidene verhuizingen van appellante en [J.]. Dit brengt de Raad tot de conclusie dat appellante en [J.] in de periode in geding een gezamenlijke huishouding voerden.

4.6. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 september 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) R. Scheffer.

HD