Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT6800

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-09-2011
Datum publicatie
06-10-2011
Zaaknummer
10-2270 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De aanvraag tot erkenning als oorlogsgetroffene in de zin van de Wubo en om op grond daarvan in aanmerking gebracht te worden voor een toeslag en/of voorzieningen (...) is afgewezen omdat omtrent de gestelde oorlogservaringen geen objectieve bevestiging kon worden verkregen, dan wel deze gebeurtenissen niet onder de werking van de Wubo zijn te brengen. Niet tegen appellante gericht geweld. Zelfverkozen vlucht. Geen sprake van directe, persoonlijke betrokkenheid bij in de wet omschreven gebeurtenissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2270 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerder)

Datum uitspraak: 22 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010,182), voortgezet door de PUR als bedoeld in deze wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUBO van de PUR.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 8 april 2010, nummer BZ 9432, JZ/P60/2010 (hierna: bestreden besluit). Dit besluit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren in 1941 in het voormalig Nederlands-Indië, heeft in september 2008 een aanvraag ingediend om erkend te worden als oorlogsgetroffene in de zin van de Wubo en op grond daarvan in aanmerking gebracht te worden voor een toeslag en/of voorzieningen op grond van die wet. Appellante heeft deze aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die naar haar mening het gevolg zijn van haar oorlogservaringen in het voormalig Nederlands-Indië tijdens de Japanse bezetting en vooral tijdens de zogenoemde Bersiap-periode.

1.2. Bij besluit van 13 november 2009, zoals na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder deze aanvraag afgewezen omdat omtrent de gestelde oorlogservaringen geen objectieve bevestiging kon worden verkregen, dan wel deze gebeurtenissen niet onder de werking van de Wubo zijn te brengen.

2. De Raad overweegt, naar aanleiding van hetgeen door partijen in beroep naar voren is gebracht, het volgende

2.1. Blijkens artikel 2 van de Wubo wordt, voor zover hier van belang, onder burgeroorlogsslachtoffer verstaan degene die als burger tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen tengevolge van met krijgsverrichtingen direct verbonden handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht, ofwel lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen gedurende de daaraan direct aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalig

Nederlands-Indië die naar aard en gevolgen vergelijkbaar zijn met vorenbedoelde omstandigheden.

2.2. Appellante baseert haar aanvraag op de volgende gebeurtenissen:

a. bedreigingen door de Indonesische rebellen (pemoeda’s);

b. de vlucht van Pekalongan naar Semarang;

c. het meemaken van beschietingen in Pekalongan en Semarang tijdens de Bersiap-periode;

2.3. Ten aanzien van het hiervoor in 2.2 onder a gestelde is de Raad, met verweerder, van oordeel dat niet gebleken is dat bij de bedreigingen door pemoeda’s sprake was van tegen appellante gericht geweld. Dat in de omgeving sprake was van hevige schermutselingen, maakt dit niet anders.

2.4. Voorts is niet gebleken dat bij de vlucht naar Semarang sprake was van een levensbedreigende situatie of dat de vlucht onder levensbedreigende omstandigheden heeft plaatsgevonden. Een zelfverkozen vlucht uit angst voor de te verwachten oorlogshandelingen kan niet als een gebeurtenis in de zin van de Wubo worden aangemerkt.

2.5. De Raad overweegt ten aanzien van het meemaken van beschietingen in Pekalongan en Semarang, dat voor toepassing van de Wubo niet bepalend is of iemand heeft verkeerd in een gevaarlijk te noemen oorlogssituatie, maar of sprake is geweest van directe, persoonlijke betrokkenheid bij in de wet omschreven gebeurtenissen. Dat er sprake was van onlusten in Pekalongan en Semarang die gepaard gingen met beschietingen gedurende de periode dat appellante daar verbleef wordt niet ontkend, maar van directe betrokkenheid daarbij van appellante is de Raad niet gebleken.

2.6. De Raad is tot slot met verweerder van oordeel dat de overige door appellante vermelde oorlogsomstandigheden, zoals angst, zich bedreigd voelen en vluchten om aan mogelijke dreigingen te ontkomen, aan te merken zijn als algemene

oorlogsomstandigheden waaraan in meer of mindere mate eenieder in die periode heeft blootgestaan. Als zodanig zijn deze omstandigheden niet te kwalificeren als calamiteiten, zoals bedoeld in artikel 2 van de Wubo. De Raad merkt nog op dat hiermee zeker niet is miskend dat appellante tijdens de oorlogsjaren en de Bersiap-periode leed is aangedaan, maar de erkenning als burgeroorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo is gebonden aan de in die wet omschreven specifieke omstandigheden en biedt, alleen al omdat sprake moet zijn van directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld, geen ruimte om algemene oorlogsomstandigheden, hoe dreigend en beangstigend ook, als gebeurtenissen in de zin van artikel 2 van de Wubo te kwalificeren.

3. Gezien het voorgaande dient het beroep ongegrond verklaard te worden.

4. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 september 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) M.C. Nijholt.

HD