Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT6783

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-10-2011
Datum publicatie
06-10-2011
Zaaknummer
10-2413 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding met vader van appellantes dochter. Beoordelingsperiode. De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf. Niet gebleken dat de door appellante en [M.] afgelegde verklaringen niet in vrijheid zijn afgelegd of dat die verklaringen tot stand zijn gekomen door een verkeerde voorstelling van zaken met betrekking tot de resultaten van het vooronderzoek van de Afdeling Bijzondere Onderzoeken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2413 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante)

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 maart 2010, 09/3175 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.A.M. van Leeuwen, advocaat te Schiedam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2011. Voor appellante is mr. P.A.M. van Leeuwen verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Andel, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 1 juli 1997 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante al 25 jaar zou samenwonen met [M.] (hierna: [M.]), die de vader is van haar dochter, heeft het College een onderzoek verricht. Hiervan is verslag gedaan in een rapport van de Afdeling Bijzondere Onderzoeken van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam van 12 december 2008. Uit diverse waarnemingen door controleurs van die afdeling in de periode juli tot en met december 2008 is gebleken dat auto’s van [M.], met name een bestelbus met kenteken [nummer], met enige regelmaat bij het adres van appellante stonden. Voorts is informatie ingewonnen bij Eneco over de gebruikscijfers voor elektriciteit en gas op de adressen van appellante en [M.].

1.3. Op 8 december 2008 hebben twee controleurs van de Afdeling Bijzondere Onderzoeken om 19.00 uur een onaangekondigd huisbezoek bij appellante verricht. [M.] bleek zich aldaar te bevinden. Geconstateerd is dat zijn bedrijfsadministratie en al zijn kleding en persoonlijke verzorgingsproducten daar aanwezig waren. Nadat de controleurs hun conclusie dat [M.] zijn hoofdverblijf heeft op het adres van appellante kenbaar hadden gemaakt, hebben appellante en [M.] verklaard dat zij vanaf ongeveer 1 juni 2008 samenwonen en heeft appellante verklaard geen prijs meer te stellen op verdere bijstand. De daarop door de controleurs verstrekte zogenoemde stopkaart voor de uitkering is door appellante en [M.] ondertekend.

1.4. Bij besluit van 19 december 2008 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 1 juni 2008 ingetrokken en over de periode van 1 juni 2008 tot en met 30 november 2008 teruggevorderd. Dit besluit berust op het standpunt dat appellante en [M.] vanaf 1 juni 2008 een gezamenlijke huishouding voeren. Omdat [M.] inkomsten heeft als zelfstandig ondernemer heeft appellante vanaf die datum geen recht meer op bijstand. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.5. Bij besluit van 19 maart 2009 heeft het College het besluit van 19 december 2008 ingetrokken met de mededeling dat gebleken is dat voor de conclusie dat sprake is van samenwonen vanaf 1 juni 2008 onvoldoende grond bestaat. Vanaf 8 december 2008, de datum van het huisbezoek en de ondertekening van de stopkaart, is dit echter wel het geval. De datum van intrekking van de bijstand is daarom gewijzigd in 8 december 2008. Dit leidt niet tot een terugvordering.

1.6. Het bezwaar dat was gericht tegen het besluit van 19 december 2008 is, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht, geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 19 maart 2009. Bij besluit van 4 augustus 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 19 maart 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 4 augustus 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich tegen deze uitspraak gekeerd en heeft daarbij aangevoerd dat er geen sprake was van een gezamenlijke huishouding. Appellante en [M.] voelden zich tijdens het huisbezoek onder druk gezet om de stopkaart te ondertekenen. Volgens de controleurs zou uit een maandenlang onderzoek zijn gebleken dat appellante sinds 1 juni 2008 samenwoont. Benadrukt is dat sprake is van fraude en dat daarvoor een straf van vier jaar detentie kan worden opgelegd. Door het ondertekenen van de stopkaart zou strafvervolging kunnen worden voorkomen. Nadien is gebleken dat het College de beschuldiging dat appellante vanaf 1 juni 2008 samenwoont niet kan waarmaken. Bij het ondertekenen van de stopkaart was daarom sprake van dwaling. Voorts is aangevoerd dat slechts een gedeelte van de administratie van [M.] in de woning aanwezig was en dat de rest zich bij een administratiekantoor bevond. Ten slotte is aangevoerd dat geen onderzoek is gedaan naar de vraag of er ook sprake is van wederzijdse zorg.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bepaalt - voor zover hier van belang - dat het college het besluit tot toekenning van bijstand kan herzien of intrekken indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

4.2. De Raad stelt vast dat het College de intrekking van bijstand niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Het voorgaande betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 8 december 2008 tot en met 19 maart 2009 (hierna: periode in geding).

4.3. Het College heeft bestreden dat appellante en [M.] onder druk zijn gezet om de stopkaart te ondertekenen of dat daarbij sprake is geweest van dwaling. Noch afgezien van de vraag of er bij een eenzijdige rechtshandeling als deze sprake kan zijn van dwaling, is uit de rapportages over het huisbezoek hiervan niet gebleken.

4.4. De Raad is van oordeel dat de vraag of appellante en [M.] op basis van de juiste informatie toestemming hebben gegeven voor het intrekken van de bijstand door middel van ondertekening van een stopkaart niet relevant is. Indien sprake is van schending van de in artikel 17, eerste lid, van de WWB bedoelde inlichtingenverplichting is het College bevoegd om de bijstand in te trekken. Het ondertekenen van een stopkaart is hiervoor geen vereiste. Het gaat in dit geding daarom uitsluitend om de vraag of er op 8 december 2008 en daarna, in de in geding zijnde periode, sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding waarvan appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen melding heeft gemaakt.

4.5. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaats gevonden van een kind van de een door de ander.

4.6. Niet in geding is dat uit de relatie tussen appellante en [M.] op 23 oktober 1986 een dochter is geboren. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een gezamenlijke huishouding is daarom alleen bepalend of appellante en [M.] gedurende de periode in geding hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Niet van belang is of ook sprake is geweest van wederzijdse zorg.

4.7. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat sprake was van een gezamenlijk hoofdverblijf. De Raad wijst daarbij op het feit dat bij het huisbezoek [M.] in de woning van appellante aanwezig was en dat ook zijn administratie, kleding en verzorgingsartikelen daar zijn aangetroffen. Dat [M.] een deel van zijn administratie had uitbesteed en dat dit deel zich daardoor elders bevond, doet daar niet aan af. De Raad hecht voorts in het bijzonder betekenis aan de tijdens het huisbezoek door beiden afgelegde verklaring dat [M.] feitelijk al langere tijd zijn hoofdverblijf had bij belanghebbende maar dat [M.] zijn eigen woning nog had aangehouden voor het geval het onverhoopt mis zou gaan met zijn bedrijf. In dat geval zou hij weer terug gaan naar zijn eigen woning. Van dit laatste was ten tijde van het huisbezoek echter geen sprake.

4.8. Volgens appellante kan aan deze verklaringen weinig waarde worden gehecht, gezien de omstandigheden waaronder deze tot stand zijn gekomen. Naar vaste rechtspraak gaat de Raad in het algemeen uit van de juistheid van een tegenover een controleur afgelegde verklaring en kent hij in het algemeen eveneens weinig betekenis toe aan het achteraf intrekken of ontkennen van een dergelijke verklaring. De Raad heeft in dit geval onvoldoende aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat een uitzondering op het hiervoor weergegeven uitgangspunt dient te worden gemaakt. Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken dat de door appellante en [M.] afgelegde verklaringen niet in vrijheid zijn afgelegd of dat die verklaringen tot stand zijn gekomen door een verkeerde voorstelling van zaken met betrekking tot de resultaten van het vooronderzoek van de Afdeling Bijzondere Onderzoeken.

4.9. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.8 is overwogen volgt dat appellante en [M.] in de periode in geding een gezamenlijke huishouding voerden in de zin van de WWB ten gevolge waarvan appellante als gehuwd moet worden aangemerkt. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2011

(get.) R.M. van Male.

(get.) P.J.M. Crombach.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD