Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT6765

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-10-2011
Datum publicatie
06-10-2011
Zaaknummer
10-5588 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum van de opheffing van de schorsing WAO-uitkering berust op goede gronden. Het bestreden besluit dient te worden beoordeeld aan de hand van art. 25 WAO zoals dat luidde voor 1 augustus 1996. Geen redenen om verzachtende omstandigheden aan te nemen ten aanzien van het niet voldoen aan oproepen voor medisch onderzoek gedurende de periode van 1 juli 1996 tot 28 april 2000. Gelet op de in art. 29 WAO neergelegde bevoegdheid kon het Uwv dan ook besluiten om de arbeidsongeschiktheid van appellant niet eerder dan met ingang van 28 april 2000 weer in aanmerking te brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5588 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te Marokko (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 september 2010, 09/111 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 5 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.M. van den Brom, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2011. Namens appellant is zijn gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Visch.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellant was met ingang van 13 april 1978 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% tot 100%. Bij besluit van 16 juli 1996 is die uitkering met ingang van 1 juli 1996 geschorst omdat appellant zonder deugdelijke grond niet was verschenen op het spreekuur, nadat hij daarvoor was opgeroepen. Dat besluit is in rechte onaantastbaar geworden.

1.2. Bij brief van 28 april 2000 heeft appellant zich bereid verklaard alsnog voor medisch onderzoek naar Nederland te komen. Dit onderzoek heeft vervolgens in 2003 plaatsgevonden. Dat leidde tot een besluit waarbij het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de WAO met ingang van 1 juli 1996 ongewijzigd heeft vastgesteld op 80 tot 100%. Bij besluit van 19 oktober 2007 heeft het Uwv overwogen dat de grond van het buiten aanmerking laten van de arbeidsongeschiktheid per 28 april 2008 is opgehouden te bestaan. Besloten is daarom de arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 28 april 2000 niet langer buiten aanmerking te laten, zodat de WAO-uitkering vanaf die datum weer tot uitbetaling komt. Van een reden om de arbeidsongeschiktheid met ingang van een eerdere datum dan 28 april 2000 niet langer buiten aanmerking te laten, was het Uwv niet gebleken.

1.3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 19 oktober 2007. Bij besluit van 3 december 2008 (bestreden besluit) is dat bezwaar ongegrond verklaard en het eerder ingenomen standpunt gehandhaafd. Volgens het Uwv zijn er geen redenen om verzachtende omstandigheden aan te nemen ten aanzien van het niet voldoen aan oproepen voor medisch onderzoek gedurende de periode van 1 juli 1996 tot 28 april 2000.

2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv onderschreven dat er geen medische redenen waren om niet naar Nederland te reizen. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het geval van appellant verschilde van de zaak die aan de orde was in de uitspraak van de Raad van 27 oktober 2006 (LJN AZ1115) omdat in die zaak wel verzachtende omstandigheden waren aan te nemen waarom betrokkende niet kon verschijnen op het onderzoek.

3.1. In hoger beroep heeft appellant onder verwijzing naar artikel 35 van de WAO gesteld dat de uitkering een jaar voor zijn melding in april 2000 betaalbaar zou moeten worden gesteld, derhalve per 28 april 1999. In dat verband verwijst appellant naar de eerder genoemde uitspraak van de Raad van 27 oktober 2006 en de daarin neergelegde betaling van de uitkering met de terugwerkende kracht van een jaar. Daarnaast heeft appellant verzocht om schadevergoeding.

3.2. In het verweerschrift heeft het Uwv het eerder ingenomen standpunt herhaald dat er in dit geval, anders dan in de uitspraak van de Raad van 27 oktober 2006, geen medische argumenten waren om verzachtende omstandigheden aan te nemen ten aanzien van het niet nakomen van de controlevoorschriften.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Zoals de Raad oordeelde in de uitspraak van 27 oktober 2006 brengt het overgangsrecht bij de met ingang van 1 augustus 1996 in werking getreden Wet Boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid mee, dat in de bevoegdheid tot toepassing van artikel 25 ten aanzien van gedragingen die hebben plaatsgevonden voor de inwerkingtreding van die wet, geen wijziging optreedt. Dit betekent dat, anders dan de rechtbank heeft gedaan, het bestreden besluit dient te worden beoordeeld aan de hand van artikel 25 van de WAO zoals dat luidde voor 1 augustus 1996.

4.2.1. Ingevolge artikel 25 van de WAO, zoals dat luidde tot 1 augustus 1996, kan het Uwv, indien een persoon, na tijdig opgeroepen te zijn, niet verscheen of weigerde zich te laten onderzoeken door de daartoe aangewezen deskundige, met betrekking tot uit deze wet voortvloeiende aanspraken, de arbeidsongeschiktheid, ter zake waarvan het niet voldoen aan de oproeping of de weigering plaatsvond, geheel of ten dele, tijdelijk of blijvend buiten aanmerking laten indien voor het niet voldoen aan de oproeping of voor de weigering geen deugdelijke grond aanwezig was.

4.2.2. Ingevolge artikel 29 van de WAO, zoals dat luidde tot 1 augustus 1996, beslist het Uwv opnieuw, zodra blijkt dat degene ten aanzien van wie het van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 25 gebruik heeft gemaakt, naderhand zijn medewerking niet meer weigert, in hoeverre het Uwv van de vorenbedoelde bevoegdheid gebruik meent te moeten blijven maken.

4.2.3. Op grond van artikel 35, eerste lid, van de WAO gaat de arbeidsongeschiktheidsuitkering in op de dag, met ingang van welke de belanghebbende aan de vereisten van het recht op toekenning van de uitkering voldoet. Ingevolge het tweede lid kan in afwijking van het eerste lid de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet vroeger ingaan dan een jaar vóór de dag, waarop de aanvraag werd ingediend.

4.3. Niet betwist is dat appellant zich niet eerder dan op 28 april 2000 bereid heeft verklaard om mee te werken aan een medisch onderzoek. Uit de latere medische onderzoeken volgt onweersproken dat appellant in de periode voorafgaand aan

28 april 2000 geen geestelijke of lichamelijke verhinderingen ondervond om mee te werken aan een dergelijk onderzoek. Bijzondere of verzachtende omstandigheden als in de uitspraak van 27 oktober 2006 zijn hier niet aan de orde omdat hier, anders dan in dat geval geen sprake is van een relatief ernstige psychiatrische stoornis. Van andere bijzondere omstandigheden is niet gebleken. Gelet op de in artikel 29 neergelegde bevoegdheid kon het Uwv dan ook besluiten om de arbeidsongeschiktheid van appellant niet eerder dan met ingang van 28 april 2000 weer in aanmerking te brengen.

4.4. Anders dan appellant veronderstelt, is er op grond van artikel 35 geen gehoudenheid om de betaling van de WAO-uitkering met ingang van 28 april 1999 te hervatten. In dit geval is immers sprake van een bevoegdheid van het Uwv die berust op artikel 25 en is artikel 35 niet van toepassing.

4.5. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking. Voor een schadevergoeding bestaat geen aanleiding.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellant.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2011.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) I.J. Penning.

TM