Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT6568

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-10-2011
Datum publicatie
04-10-2011
Zaaknummer
09-4427 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening bijstandsuitkering in verband met ontvangen WW- en WAO-uitkering. Terugvordering. Terugvorderingsbedrag juist berekend. Het valt betrokkene echter niet te verwijten dat haar teveel bijstand is betaald en zij had evenmin redelijkerwijs kunnen begrijpen dat haar teveel bijstand is betaald.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2011/308
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4427 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 22 juli 2009, 09/640, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)

en

appellant

Datum uitspraak: 4 oktober 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. M.P. de Witte, advocaat te ’s-Gravenhage, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2011. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Punter, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage. Betrokkene is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene ontving in aanvulling op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. Bij besluit van 12 februari 2007 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van

13 april 2007 ingetrokken. Bij besluit van 12 september 2007 heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 12 februari 2007 gegrond verklaard en dat besluit herroepen. Betrokkene heeft over de periode van 13 april 2007 tot en met 30 september 2007 van het Uwv een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Het Uwv heeft betrokkene de WAO-uitkering over de periode van 13 april 2007 tot en met 30 september 2007 uitbetaald onder aftrek van de door betrokkene over die periode ontvangen WW-uitkering.

1.3. Bij besluit van 18 december 2007 heeft appellant de bijstand van betrokkene met ingang van 13 april 2007 herzien. Daaraan heeft appellant ten grondslag gelegd dat aan betrokkene in verband met de uitkeringen die zij van het Uwv heeft ontvangen tot een te hoog bedrag bijstand is verleend. Voorts heeft appellant bij dat besluit de kosten van de aan betrokkene over de periode van 13 april 2007 tot en met 30 september 2007 verleende bijstand tot een bedrag van € 638,69 van haar teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 25 februari 2008 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 18 december 2007 gedeeltelijk gegrond verklaard en het bedrag van de terugvordering bepaald op € 235,89. Bij uitspraak van 29 oktober 2008 met

reg. nr 08/1640 heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van

18 december 2007 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant te kennen heeft gegeven dat hij het besluit van 18 december 2007 niet wenst te handhaven en dat een nieuwe berekening zal worden gemaakt van het bedrag van de ten onrechte verleende bijstand en het terug te vorderen bedrag. Appellant heeft verder aangegeven dat het terugvorderingsbedrag niet hoger zal uitvallen dan € 235,89.

1.5. Bij besluit van 5 januari 2009 heeft appellant het bezwaar van betrokkene wederom gedeeltelijk gegrond verklaard en het bedrag van de terugvordering bepaald op € 235,89. Tevens heeft appellant een vergoeding toegekend voor de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt. Volgens appellant komt op basis van de nieuwe berekening een bedrag van € 561,97 voor terugvordering in aanmerking. Gelet op de uitspraak van de rechtbank van 29 oktober 2008 wordt de terugvordering beperkt tot een bedrag van € 235,89.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 5 januari 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit te nemen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat niet onomstotelijk blijkt wat door het Uwv is uitbetaald in de periode in geding en daardoor tevens niet onomstotelijk vaststaat dat de berekeningen van appellant juist zijn. Het besluit van 5 januari 2009 is daarom in strijd met het vereiste van zorgvuldig onderzoek en een deugdelijke motivering. Voorts heeft de rechtbank beslissingen genomen inzake griffierecht en proceskosten. Bij de berekening van de proceskostenvergoeding is de rechtbank ervan uitgegaan dat de gemachtigde van betrokkene ter zitting van de rechtbank is verschenen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat op basis van de gedingstukken kan worden vastgesteld welke bedragen het Uwv aan betrokkene heeft betaald over de periode in geding. Appellant heeft verder aangevoerd dat de hoogte van het voor terugvordering in aanmerking komende bedrag juist is berekend. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat gemachtigde van betrokkene niet aanwezig was ter zitting van de rechtbank en dat de rechtbank het bedrag van de proceskostenvergoeding had moeten bepalen op € 322,--.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Met appellant en anders dan de rechtbank en betrokkene is de Raad van oordeel dat op basis van de gedingstukken kan worden vastgesteld wat het Uwv betrokkene aan

WW- en WAO-uitkering heeft uitbetaald over de periode van 13 april 2007 tot en met

30 september 2007. De Raad wijst in dit verband op de tot de gedingstukken behorende op die periode betrekking hebbende specificaties van de WW-uitkering alsmede op de eveneens tot de gedingstukken behorende brief van 7 november 2007 waarin het Uwv betrokkene meedeelt dat haar over de betreffende periode WAO-uitkering wordt uitbetaald tot een bedrag van € 90,51 netto. De omstandigheid dat over de periode van

18 juni 2007 tot en met 15 juli 2007 twee specificaties van de WW-uitkering voorhanden zijn met verschillende bedragen van hetgeen netto is uitbetaald (respectievelijk € 852,90 en € 857,60) maakt dat niet anders. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat appellant bij de berekening van het voor terugvordering in aanmerking komende bedrag van het laagste van de in beide specificaties genoemde bedragen is uitgegaan. Voorts acht de Raad van belang dat betrokkene geen bankafschriften of andere gegevens heeft overgelegd op grond waarvan kan worden betwijfeld dat het Uwv haar over de periode van 18 juni 2007 tot 15 juli 2007 een ander bedrag dan € 852,90 netto aan WW-uitkering heeft uitbetaald.

4.2. Anders dan de rechtbank en betrokkene ziet de Raad voorts geen grond voor het oordeel dat appellant het voor terugvordering in aanmerking komende bedrag niet juist heeft berekend. De Raad wijst in dit verband op de rapportage van 12 november 2008 van de Verreken Afdeling van appellant. In die rapportage wordt een gedetailleerd overzicht gegeven van de inkomsten uit WW- en WAO-uitkering van betrokkene en de maanden waaraan deze inkomsten worden toegerekend. Daarbij is, in overeenstemming met hetgeen in artikel 31, derde lid, van de WWB is bepaald, uitgegaan van de netto inkomsten. Voorts wordt een overzicht gegeven van de herberekening van de bijstand op maandbasis, waarbij een vergelijking wordt gemaakt tussen de bijstand die betrokkene heeft ontvangen en de bijstand die betrokkene, gelet op haar inkomsten, mocht ontvangen. Daarmee heeft appellant voldoende inzichtelijk gemaakt hoe het voor terugvordering in aanmerking komende bedrag is berekend. Hetgeen betrokkene daartegenover heeft gesteld acht de Raad onvoldoende om de hoogte van het voor terugvordering in aanmerking komende bedrag voor onjuist te houden.

4.3. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de rechtbank ten onrechte het beroep van betrokkene tegen het besluit van 5 januari 2009 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd op de door haar daartoe gebezigde gronden. Met betrekking tot de niet door de rechtbank beoordeelde beroepsgrond van betrokkene dat appellant van terugvordering had moeten afzien omdat het haar niet duidelijk had kunnen zijn dat zij mogelijk teveel bijstand zou hebben ontvangen overweegt de Raad als volgt.

4.4. Appellant voert het beleid dat de kosten van bijstand worden teruggevorderd en dat daarvan wordt afgeweken indien sprake is van zeer dringende redenen. De Raad stelt vast dat appellant ten gunste van betrokkene van zijn beleid is afgeweken door de terugvordering te beperken tot een bedrag van € 235,89. In hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ziet de Raad bijzondere omstandigheden op grond waarvan appellant geheel van terugvordering had moeten afzien. Zoals gemachtigde van appellant ter zitting van de Raad desgevraagd heeft erkend valt het betrokkene immers niet te verwijten dat haar teveel bijstand is betaald en had zij evenmin redelijkerwijs kunnen begrijpen dat haar teveel bijstand is betaald.

4.5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen met uitzondering van de beslissing inzake griffierecht. De Raad zal voorts het beroep tegen het besluit van 5 januari 2009 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen, behoudens voor zover daarbij een vergoeding is toegekend voor de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt. De Raad ziet verder aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht het besluit van 18 december 2007 te herroepen voor zover dat besluit op de terugvordering betrekking heeft.

5. De Raad ziet aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in beroep. Deze kosten worden in overeenstemming met hetgeen appellant heeft aangevoerd, begroot op € 322,-- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak met uitzondering van de beslissing inzake griffierecht;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 5 januari 2009 behoudens voor zover daarbij een vergoeding is toegekend voor de kosten die betrokkene in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt;

Herroept het besluit van 18 december 2007 voor zover dat betrekking heeft op de terugvordering;

Veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene in beroep tot een bedrag van

€ 322,--.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2011.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) R.L.G. Boot.

HD