Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT6545

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-09-2011
Datum publicatie
04-10-2011
Zaaknummer
08-2760 WAZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging WAZ-uitkering. Bij nader besluit is beëindigingsdatum gewijzigd. Praktische schatting, uitgegaan van het feitelijk verdiende loon. Bij het bepalen van de inkomsten van appellant uit zijn werkzaamheden is uitgegaan van de feitelijke inkomsten van appellant, waarbij geen rekening meer is gehouden, zoals voorheen, met een component sociaal loon. Hierna is het loon van appellant verlaagd. Hiermee wordt terecht geen rekeing gehouden. De invloed die een dga kan uitoefenen op zijn salaris kan niet zover strekken dat daarmee tevens het recht op een WAZ-uitkering zou kunnen worden bepaald. Aan de omstandigheid dat de fiscus, zoals appellant heeft gesteld, met de verlaging van zijn voor de Inkomstenbelasting in aanmerking te nemen loon zou hebben ingestemd, komt in dit verband geen betekenis toe.

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2011/369
USZ 2011/312 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

08/2760 WAZ en 10/412 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 19 maart 2008, 07/2413 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 30 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft R.T. van Baarlen, werkzaam bij Fiscount Arbeid en Recht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Na de behandeling van het geding ter zitting van 20 november 2009 heeft de Raad besloten het onderzoek te heropenen.

Vervolgens heeft de Raad een vraagstelling doen uitgaan aan het Uwv, waarop bij brief van 8 april 2010 is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft opnieuw plaatsgevonden op 19 januari 2011, waar namens appellant is verschenen Van Baarlen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.M. Maas.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was ten tijde van zijn uitval op 8 februari 2000 wegens rugklachten directeur/grootaandeelhouder (dga) van een bouwbedrijf. Na afloop van de wachttijd is hem bij besluit van 5 juni 2003 met ingang van 6 februari 2001 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Naast deze uitkering heeft appellant in zijn eigen bedrijf aangepaste werkzaamheden verricht.

1.2. In het kader van een herbeoordeling is appellant onderzocht door een verzekeringsarts die heeft vastgesteld dat appellant als gevolg van chronische rug- en linkerbeenklachten nog dezelfde beperkingen heeft als voorheen. Deze beperkingen heeft hij vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige rapport uitgebracht. Voor de maatmanfunctie van meewerkend voorman timmeren in volle omvang, zoals appellant die tot 8 februari 2000 heeft uitgeoefend, heeft hij appellant onverminderd ongeschikt geacht. Voor de aangepaste werkzaamheden zoals appellant die na die tijd in zijn bedrijf is gaan verrichten heeft hij hem geschikt geacht. Bij het bepalen van de inkomsten van appellant uit deze werkzaamheden is hij uitgegaan van de feitelijke inkomsten van appellant, waarbij geen rekening meer is gehouden, zoals voorheen, met een component sociaal loon. Op basis van een theoretische schatting heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 45 tot 55% en op basis van een praktische schatting op minder dan 25%. Bij besluit van 2 januari 2007 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat zijn WAZ-uitkering met ingang van 1 juli 2006 wordt ingetrokken.

2.1. Tegen dat besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Hij is van mening dat de uitkering ten onrechte met terugwerkende kracht is beëindigd en dat ten onrechte geen rekening meer is gehouden met sociaal loon. Daarnaast heeft hij bezwaren geuit tegen de hoogte van het gehanteerde maatmaninkomen en de maximering van de maatmanomvang.

2.2. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft een bezwaararbeidsdeskundige op 13 juni 2007 rapport uitgebracht. Daarin heeft hij overwogen dat de arbeidsdeskundige terecht geen rekening meer heeft gehouden met een component sociaal loon. Bij een dga kan slechts in uitzonderlijke situaties rekening worden gehouden met sociaal loon en er is naar zijn mening geen sprake van een dergelijke bijzondere situatie. Voorts heeft hij geconcludeerd dat de maatmanomvang ten onrechte is gemaximeerd en dat de uitkering ten onrechte met terugwerkende kracht is beëindigd. Hij heeft de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op wederom minder dan 25%. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv bij bestreden besluit van 15 juni 2007 de ingangsdatum van de beëindiging van de uitkering nader vastgesteld op 3 januari 2007 en het bezwaar gegrond verklaard. Daarnaast heeft het Uwv appellant een vergoeding van de kosten van bezwaar toegekend.

3.1. In beroep heeft appellant zijn bezwaren tegen de omstandigheid dat geen rekening meer is gehouden met sociaal loon gehandhaafd. Voorts heeft hij onder meer gesteld dat ten onrechte geen uitlooptermijn in acht is genomen. Daarnaast heeft hij erop gewezen dat het salaris van appellant met ingang van 1 januari 2007 is verlaagd en dat het Uwv bij het berekenen van de mate van arbeidsongeschiktheid met dit verlaagde salaris rekening had moeten houden.

3.2. Van de zijde van het Uwv zijn in beroep nadere rapporten van de arbeidsdeskundige overgelegd.

3.3. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad, geoordeeld dat bij een dga geen sprake kan zijn van sociaal loon omdat deze de hoogte van zijn salaris zelf kan bepalen. Om dezelfde reden heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank geen rekening behoeven te houden met het per 1 januari 2007 verlaagde salaris. Ook anderszins is de rechtbank niet tot de conclusie kunnen komen dat het Uwv bij het bestreden besluit de mate van arbeidsongeschiktheid ten onrechte heeft vastgesteld op minder dan 25%. De rechtbank heeft echter het bestreden besluit vernietigd en het beroep gegrond verklaard, omdat het Uwv geen uitlooptermijn in acht heeft genomen. Om die reden heeft de rechtbank het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Daarnaast heeft de rechtbank beslissingen gegeven over proceskosten en vergoeding griffierecht.

4.1. Appellant heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Hij is daarbij alleen opgekomen tegen de overweging van de rechtbank dat de per 1 januari 2007 toegepaste loonsverlaging niet tot resultaat kan hebben dat hem deswege wegens praktische verdiensten een gedeeltelijke WAZ-uitkering zou toekomen.

4.2. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft het Uwv bij besluit van 20 juni 2008 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Daarbij heeft het Uwv de beëindiging van de WAZ-uitkering nader vastgesteld op 1 juli 2007.

4.3. Dit nadere besluit, waarmee appellant zich evenmin kan verenigen, heeft de Raad met toepassing van de artikelen 6:18, 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de procedure betrokken.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. In beginsel wordt bij een praktische schatting uitgegaan van het feitelijk door een betrokkene verdiende loon. De Raad kan het niet voor onjuist houden dat het Uwv bij de thans in geding zijnde schatting van dit beginsel is afgeweken en appellant niet heeft gevolgd in zijn stelling dat bij de bepaling van zijn loon bij een praktische schatting die ten grondslag ligt aan een wijziging van zijn uitkering in 2007 had moeten worden uitgegaan van het door hem per 1 januari 2007 vastgestelde loon. Appellant verdiende tot 1 januari 2007 een loon, waarvan het Uwv heeft aangenomen dat dat een juiste waardering was van de aangepaste werkzaamheden die hij sinds de toekenning van de WAZ-uitkering in zijn eigen bedrijf heeft verricht. De omstandigheid dat het Uwv is teruggekomen van zijn standpunt dat een deel van dat loon is aan te merken als sociaal loon, acht de Raad juist, nu voor een dga, die zelf zijn loon vaststelt, in beginsel niet kan worden aanvaard dat deze zich een sociaal loon toekent. Appellant heeft niet gesteld dat de lagere beloning met ingang van 1 januari 2007 een gevolg is geweest van een toename van zijn beperkingen om arbeid te verrichten. Hij heeft evenmin gesteld dat per die datum een aanpassing heeft plaatsgevonden van de omvang, de aard of de zwaarte van de door hem verrichte werkzaamheden. De door appellant per 1 januari 2007 toegepaste verlaging van zijn loon, waartoe hij is overgegaan nadat hij bekend geworden was met de standpuntwijziging van het Uwv, kan naar het oordeel van de Raad dan ook niet anders worden gezien dan als een gevolg van zijn beslissing om de verhouding tussen salaris en winst te wijzigen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de invloed die een dga kan uitoefenen op zijn salaris niet zover kan strekken dat daarmee tevens het recht op een WAZ-uitkering zou kunnen worden bepaald. Aan de omstandigheid dat de fiscus, zoals appellant heeft gesteld, met de verlaging van zijn voor de Inkomstenbelasting in aanmerking te nemen loon zou hebben ingestemd, komt in dit verband geen betekenis toe.

5.3. Dit brengt de Raad tot de conclusie, nu appellant evenmin geen bezwaren meer heeft geuit tegen de bij besluit van

20 juni 2008 vastgestelde ingangsdatum van 1 juli 2007, dat de beëindiging van de WAZ-uitkering per deze datum op goede gronden berust.

5.4. Het vorenstaande brengt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd en dat het beroep tegen het besluit van 20 juni 2008 ongegrond moet worden verklaard.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 20 juni 2008 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en C.P.J. Goorden en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2011.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) M. Mostert.

JL