Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT6502

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-09-2011
Datum publicatie
04-10-2011
Zaaknummer
10/5348 WAO + 10/6476 WAO + 11/1947 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Syndroom van asperger. Geen aanleiding om de resultaten van de onderzoeken van de (bezwaar)verzekeringsartsen niet te volgen. Geschikt om de geduide functies te verrichten. Overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5348 WAO, 10/6476 WAO en 11/1947 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 augustus 2010, 05/9598 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 23 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Op 12 oktober 2010 heeft het Uwv een nieuw besluit op bezwaar genomen. Voorts heeft het Uwv een verweerschrift ingediend.

Namens appellant zijn aanvullende gronden ingediend.

Op 28 maart 2011 heeft het Uwv een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Namens appellant zijn aanvullende gronden ingediend.

Het Uwv heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2011, waar namens betrokkene mr. I.G.M. van Gorkum, advocaat, is verschenen en waar het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de voor dit geding relevante feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak en naar zijn eerder tussen partijen gegeven uitspraak van 3 december 2008, LJN BG6348. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.2. Appellant was werkzaam als divisiecontroller bij TNO voor ruim 34 uur per week toen hij zich met ingang van 7 januari 2002 ziek meldde. De Raad heeft in zijn onder 1.1. genoemde uitspraak bepaald dat appellant met ingang van 6 januari 2003 recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Aan appellant was per 6 januari 2003 een WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. In die uitspraak heeft de Raad het oordeel gevolgd van psychiater prof. dr. G.F. Koerselman die door de Raad als deskundige was aangesteld.

1.3. In december 2003 heeft een (eerstejaars) herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant plaatsgehad. Deze herbeoordeling heeft ertoe geleid dat het Uwv bij besluit van 8 maart 2004 heeft besloten de uitkering ongewijzigd voort te zetten, derhalve (toen nog) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

1.4. In april 2003 heeft appellant zich ziek gemeld. Na een medisch onderzoek en een arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 24 november 2004 de uitkering per 17 januari 2005 herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.5. Het bezwaar dat appellant tegen de onder 1.3 en 1.4 genoemde besluiten heeft gemaakt is bij besluit op bezwaar van 17 november 2005 - na een onderzoek door een bezwaarverzekeringsarts en een bezwaararbeidsdeskundige - ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld.

1.6. Op 27 februari 2009 heeft het Uwv een besluit genomen tot wijziging van het besluit op bezwaar van 17 november 2005. Hierbij is aan appellant in die zin tegemoetgekomen dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid voor de periode 8 maart 2004 tot 17 januari 2005 alsnog is vastgesteld op 45 tot 55%. De rechtbank heeft het beroep van appellant ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen dit wijzigingsbesluit.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het besluit van 17 november 2005 inzake de handhaving van het besluit van 8 maart 2004 niet-ontvankelijk verklaard en is het beroep tegen het wijzigingsbesluit van 27 februari 2009 ongegrond verklaard. Het beroep tegen het besluit van 17 november 2005 inzake de handhaving van het besluit van 24 november 2004 (betrekking hebbend op de periode vanaf 17 januari 2005) heeft de rechtbank gegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank verwezen naar de onder 1.1 genoemde uitspraak van de Raad. Ten aanzien van de medische beperkingen heeft de rechtbank vastgesteld dat deze op 17 januari 2005 niet waren gewijzigd ten opzichte van de beperkingen zoals deze door de Raad zijn aanvaard per 6 januari 2003. Daarvan uitgaande rees bij de rechtbank gerede twijfel of de door het Uwv gehanteerde functies van statistisch analist (Sbc-code 651030) en telefonist, receptionist (Sbc-code 315120) geschikt waren voor appellant. De rechtbank heeft het besluit van 17 november 2005 daarom in zoverre vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met betrekking tot de periode vanaf 17 januari 2005. Voorts heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht, alsmede tot betaling van € 1.500,- aan appellant bij wijze van schadevergoeding vanwege de te lange duur van de bezwaarfase.

3.1. Op 12 oktober 2010 heeft het Uwv ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit op bezwaar genomen waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 17 januari 2005 is herzien en is berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Hieraan liggen andere functies ten grondslag, te weten die behorend bij commercieel administratief medewerker (Sbc-code 516110), belastingambtenaar (Sbc-code 532030 en tekenaar, constructeur (Sbc-code 465010) en (als reservefunctie) kostprijscalculator (Sbc-code 515040). Deze functies komen overeen met de functies die het Uwv hanteerde bij het besluit van 27 februari 2009 (betrekking hebbend op de periode 8 maart 2004 tot 17 januari 2005).

3.2. Het Uwv heeft het besluit op bezwaar van 12 oktober 2010 vanwege een aanpassing van het maatmanloon gecorrigeerd bij besluit van 28 maart 2011. Hierbij is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 17 januari 2005 herzien en berekend naar 45 tot 55%.

4. Appellant heeft in hoger beroep primair verwezen naar hetgeen door hem in bezwaar en beroep is aangevoerd ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij op 8 maart 2004 en 17 januari 2005 volledig arbeidsongeschikt was. Hij benadrukt dat onvoldoende rekening gehouden is met het bij hem gediagnosticeerde syndroom van Asperger. Verder is zijns inziens onvoldoende rekening gehouden met chronische ontsteking(en) van zijn bijholten en met rug-, schouder- en beenklachten die voornamelijk spanningsgerelateerd zijn. Daartoe heeft hij onder meer verwezen naar gegevens van zijn behandelend arts E.A. Sluijter (verbonden aan het Centrum Autisme) en zijn huisarts V. ’t Lindenhout. Daaruit komt zijns inziens naar voren dat zijn functionele beperkingen zijn toegenomen na 6 januari 2003. De gehanteerde functies acht appellant ongeschikt vanwege zijn beperkingen op het vlak van contactuele vaardigheden, werktempo en eigen inbreng.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Bij de eerstejaars herbeoordeling in december 2003 heeft de verzekeringsarts appellant op haar spreekuur ontvangen en onder meer informatie ingewonnen bij de behandelend psychiater i.o. Van der Lem. Op grond van haar onderzoeksbevindingen heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat er geen nieuwe medische feiten zijn die bij het eerdere verzekeringsgeneeskundige onderzoek in december 2002 niet bekend waren. In september 2004 heeft een collega-verzekeringsarts appellant vanwege zijn ziekmelding op haar spreekuur ontvangen. Zij heeft opgetekend dat appellant toen heeft aangegeven dat zijn psychische klachten hetzelfde waren als in december 2003. Appellant wilde wel graag de tijd krijgen om te verwerken dat bij hem de diagnose syndroom van Asperger was gesteld. Daarnaast heeft hij melding gemaakt van recidiverende ontstekingen die met antibiotica bestreden konden worden. De verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat appellant, gelet op haar onderzoeksbevindingen, duurzaam benutbare mogelijkheden had, zij het met in achtneming van de in 2002 en 2003 aanvaarde beperkingen voor werk met veelvuldige deadlines, productiepieken of een hoog handelingstempo en voor werk waarin een conflictsituatie met agressieve of onredelijke mensen voorkomt. In oktober 2005 heeft de bezwaarverzekeringsarts nadere informatie ontvangen van de arts E.A. Sluijter (die verwees naar informatie uit oktober 2004 van GGZ Delfland) en heeft de bezwaarverzekeringsarts appellant persoonlijk gesproken. Vervolgens heeft hij onderbouwd weergegeven waarom hij bij zijn heroverweging niet tot een andere belastbaarheid heeft kunnen concluderen dan die door beide verzekeringsartsen is vastgesteld. De Raad heeft geen aanleiding om de resultaten van de onderzoeken van de (bezwaar)verzekeringsartsen niet te volgen. Hij neemt daarbij in aanmerking dat de onderzoeken volledig zijn en de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen inzichtelijk zijn vermeld. Daarbij neemt de Raad tevens in aanmerking dat psychiater Koerselman de periode van 2003 tot en met februari 2007 heeft beschreven, waarbij hij een kritische kanttekening heeft gemaakt bij de voorgehouden functies die als kenmerk hebben dat daarin moet worden gedebatteerd. Alle andere medische stukken, waaronder de contra-expertise van psychiater dr. C.C. Kan van 15 oktober 2007, hebben de Raad, mede gelet op de reactie daarop en de bevindingen van Koerselman, niet tot de overtuiging gebracht dat in verzekeringstechnische zin twijfel gerechtvaardigd is over de arbeidsmogelijkheden van appellant op de beide in geding zijnde data.

5.2. Hiervan uitgaande overweegt de Raad dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat appellant op 8 maart 2004 in staat was de werkzaamheden verbonden aan de hem bij het besluit van 27 februari 2009 voorgehouden functies te verrichten. De aangevallen uitspraak zal in zoverre worden bevestigd.

5.3. Met betrekking tot het op de voet van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb, in verbinding met artikel 6:24 van die wet door de Raad te beoordelen besluit van 12 oktober 2010, zoals dit is gewijzigd bij besluit van 28 maart 2011, geldt naar het oordeel van de Raad voor de datum van 17 januari 2005 eveneens dat appellant, uitgaande van de juistheid van de voor hem vastgestelde functionele mogelijkheden, in staat kon worden geacht de werkzaamheden verbonden aan de hem voorgehouden functies te verrichten. Voor zover sprake is van zogenoemde signaleringen is naar het oordeel van de Raad in de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige voldoende gemotiveerd waarom het hier geen overschrijdingen betreft van de belastbaarheid van appellant. Nu het besluit van 12 oktober 2010 tijdens de procedure in hoger beroep op een relevant onderdeel is gewijzigd, hetgeen leidt tot een hogere uitkering, zal de Raad het daartegen ingediende beroep gegrond verklaren, maar de Raad zal bepalen dat de rechtgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Het Uwv zal aan appellant dientengevolge het door hem verzochte bedrag aan wettelijke rente moeten vergoeden. Voor de vaststelling van deze vergoeding verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB1495.

5.4. Appellant heeft vanwege de lange duur van de procedure de Raad verzocht om toekenning van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), voor zover die overschrijding heeft plaatsgevonden in de rechterlijke fase. Voor de wijze van beoordeling van dit verzoek verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009).

5.5. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. De behandeling van het beroep en hoger beroep heeft vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 29 december 2005 tot deze uitspraak vijf en acht maanden geduurd. Hieraan kan, wat er ook zij van het feit dat de rechtbank de behandeling van het beroep op verzoek van appellant bij brief van 30 juni 2007 heeft aangehouden tot de in 1.1 genoemde uitspraak van de Raad van 3 december 2008, het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn is geschonden.

5.6. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb moet worden beslist omtrent appellants verzoek om schadevergoeding vanwege mogelijke overschrijding van de redelijke termijn. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met – eveneens – verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

6. Tot slot ziet de Raad in hetgeen onder 5.3 is overwogen aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van proceskosten van appellant in hoger beroep die worden begroot op € 874,- voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep van appellant tegen het besluit van 12 oktober 2010 zoals gewijzigd bij besluit van 28 maart 2011 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt het Uwv tot vergoeding van renteschade zoals in rubriek II onder 5.3 is vermeld;

Bepaalt dat het onderzoek onder nummer 11/5459 BESLU wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent appellants verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 874,- te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 111,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Brand en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 september 2011.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) P.J.M. Crombach.

EK