Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT6283

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-09-2011
Datum publicatie
04-10-2011
Zaaknummer
09-3087 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Gezamenlijke huishouding. Kind geboren uit de relatie. Hoofdverblijf in dezelfde woning. Geen strafrechtelijke procedure, zodat de beschermende werking van artikel 6, derde lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zich niet tot appellante uitstrekt. Geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het verhoor op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, dat de verklaring van appellante onder ontoelaatbare druk is afgelegd en dat er taalproblemen bij appellante speelden. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/3087 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 21 april 2009, 08/661 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)

Datum uitspraak: 13 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2011. Voor appellante is mr. drs. Boumanjal verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door E.J.W. Bruinsma, werkzaam bij de gemeente Utrecht.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf 19 september 2005 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Naar aanleiding van een melding, via de mail van “meld misdaad anoniem”, op 29 januari 2007 is door het Team Handhaving van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling van de gemeente Utrecht (hierna: Team Handhaving) een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van appellante. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn in de nabijheid van de woning van appellante observaties verricht en is door sociaal rechercheurs een bezoek gebracht aan het adres van appellante, [adres] te [plaatsnaam]. Nadat zowel appellante als S.E. [B.] (hierna: [B.]) in de woning zijn aangetroffen, zijn beiden, afzonderlijk van elkaar, aansluitend verhoord op het kantoor van het Team Handhaving. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 18 september 2007.

1.3. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 11 oktober 2007 de bijstand van appellante met ingang van 1 april 2007 in te trekken op de grond dat appellante vanaf die datum een gezamenlijke huishouding voert met [B.] waarvan zij aan het College geen opgave heeft gedaan. Daarnaast zijn de over de periode van 1 april 2007 tot en met 31 augustus 2007 gemaakte kosten van bijstand van appellante tot een bedrag van € 4.917,72 van appellante teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 22 januari 2008 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 oktober 2007 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 januari 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij is - kort samengevat - van mening dat het verhoor niet op een zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, dat haar woorden in de mond zijn gelegd en dat haar verklaring niet als wettig bewijs kan dienen voor het vermoeden dat zij en [B.] een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Bij het verhoor had, aldus appellante, een tolk aanwezig moeten zijn omdat zij de Nederlandse taal niet machtig is. Ter ondersteuning van dit standpunt is gewezen op een arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van

27 november 2008, LJN BH0402 (Salduz).

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht, indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de één door de ander.

4.2. Vaststaat dat uit de relatie tussen appellante en [B.] kinderen zijn geboren. Voor de beantwoording van de vraag of gedurende de periode in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding is derhalve bepalend of appellante en [B.] hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

4.3. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat uit de verklaringen die appellante en [B.] op 10 september 2007 hebben afgelegd volgt dat zij ten tijde van belang hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Door appellante is gedetailleerd en uitgebreid verklaard over haar relatie met [B.], welke na de geboorte van hun vierde kind op

26 december 2006 is verbeterd en vanaf april 2007 dusdanig is dat [B.] bij haar verblijft. Appellante heeft verklaard dat [B.] er niet altijd is, maar dat zijn hoofdverblijf sindsdien wel hij haar op de [adres] is. [B.] verblijft sinds april 2007 regelmatig bij haar, de ene keer vijf nachten per week en de andere keer kan dat minder zijn. Voorts heeft appellante verklaard dat [B.] een sleutel van de voordeur heeft en dat de parkeervergunning van de auto van [B.] op haar naam staat. Anders dan appellante stelt heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het verhoor op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, dat de verklaring van appellante onder ontoelaatbare druk is afgelegd en dat er taalproblemen bij appellante speelden. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat de verklaring door haar is doorgelezen, per bladzijde is geparafeerd en ondertekend. Uit vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van

23 november 2010, LJN BO4810) vloeit voort dat in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en door de betrokkene ondertekende verklaring mag worden uitgegaan en dat aan het intrekken daarvan, of het achteraf ontkennen van het verklaarde, weinig of geen betekenis toekomt.

4.4. De Raad volgt appellante evenmin in haar stelling dat, als uitvloeisel van het Salduz-arrest, de verklaring die appellante ten overstaan van de sociaal rechercheur heeft afgelegd, niet als ondersteuning voor de besluitvorming van het College had mogen worden gebruikt. Nog daargelaten of een dergelijk recht in die vorm zonder meer voortvloeit uit het genoemde arrest, verwijst de Raad naar zijn vaste rechtspraak, zie CRvB 9 augustus 2011, LJN BR5736, inhoudende dat het in een zaak als de onderhavige, waarin intrekking en terugvordering van bijstand aan de orde is, niet gaat om een strafrechtelijke procedure, zodat de beschermende werking van artikel 6, derde lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zich niet tot appellante uitstrekt.

4.5. In de door [B.] afgelegde verklaring heeft de Raad voorts geen aanknopingspunten gevonden om tot een andersluidend oordeel te komen. [B.] heeft op 10 september 2007 verklaard dat hij sinds april 2007 een week lang, soms een paar dagen bij appellante slaapt en dat hij de andere dagen bij andere personen slaapt. De Raad acht in dit kader van belang dat [B.] heeft verklaard een postadres in [naam gemeente] te hebben en dat hij over de andere slaapadressen geen nadere informatie heeft verstrekt.

4.6. Uit hetgeen onder 4.3 tot en met 4.5 is overwogen, volgt dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, waardoor zij ten onrechte over de periode in geding als zelfstandig subject bijstand heeft ontvangen. Het College was dan ook bevoegd met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellante over deze periode in te trekken. Hieruit vloeit voort dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het College bevoegd was om de kosten van bijstand over deze periode van appellante terug te vorderen.

4.7. Tegen de uitoefening van de bevoegdheid tot intrekking, alsmede tegen de terugvordering, zijn geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat deze geen verdere bespreking behoeven.

4.8. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

4. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en M. Hillen en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 september 2011.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) I. Mos.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD