Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT6210

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-09-2011
Datum publicatie
30-09-2011
Zaaknummer
10-6958 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening ontslagbesluit. Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6958 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 6 december 2010, 09/5433 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van bestuur van de Universiteit van Amsterdam (hierna: college)

Datum uitspraak: 15 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 augustus 2011. Appellant is verschenen. Het college is zoals eerder aangekondigd niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant was als analist/research laboratoriummedewerker werkzaam bij de Universiteit van Amsterdam. Bij besluit van 19 januari 2001 is aan appellant ontslag verleend wegens ongeschiktheid anders dan op grond van ziekten of gebreken.

In bezwaar, beroep en hoger beroep is dit besluit in stand gebleven. In de uitspraak van 10 maart 2005 heeft de Raad geoordeeld dat het college in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de ontslagbevoegdheid. Daaraan heeft de Raad ten grondslag gelegd dat uit de in rechte onaantastbare beoordelingen een negatief oordeel over de houding en gedrag van appellant is gebleken. Met appellant zijn daarover afspraken gemaakt, zodat hij gold als een gewaarschuwd mens.

1.2. Bij brief van 19 mei 2005 heeft appellant aan het college verzocht om het ontslagbesluit van 19 januari 2001 te herzien. Bij brief van 18 augustus 2005 heeft appellant zich tot de rechtbank gewend met het verzoek om het college te verplichten het herzieningsverzoek te honoreren. De rechtbank heeft de brief van appellant doorgestuurd aan het college met het verzoek dit te behandelen als een bezwaarschrift.

1.3. Bij besluit van 24 oktober 2005 heeft het college het herzieningsverzoek afgewezen omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de door appellant aangevoerde feiten en omstandigheden door de Raad zijn betrokken dan wel hadden kunnen worden betrokken bij de afwegingen die hebben geleid tot de uitspraak van 10 maart 2005.

1.4. Bij het bestreden besluit van 10 januari 2007 is het daartegen gemaakte bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard. Ten overvloede heeft het college nog meegedeeld dat indien het bezwaar wel ontvankelijk zou zijn geweest, het bezwaar ongegrond zou zijn verklaard.

2. De rechtbank heeft bij uitspraak van 12 juni 2007 het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant niet tijdig beroep zou hebben ingesteld en niet gebleken is van redenen om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Het daartegen aangetekende verzet is door de rechtbank ongegrond verklaard.

2.1. Appellant heeft naar aanleiding daarvan beroep in cassatie bij de Hoge Raad ingesteld. Bij arrest van 15 mei 2009 is het ingestelde cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard. Appellant heeft daarna onder meer aan de Raad verzocht zijn beroep tegen het besluit van het college van 10 januari 2007 alsnog ontvankelijk te verklaren. De Raad heeft dit verzoek aangemerkt als een hoger beroep tegen de uitspraak van 12 juni 2007. Bij uitspraak van 15 oktober 2009 heeft de Raad het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank van 12 juni 2007 vernietigd en de zaak naar de rechtbank terugverwezen. De rechtbank heeft bij uitspraak van 22 februari 2010 het verzet gegrond verklaard en het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar gegrond verklaard en het bestreden besluit in zoverre vernietigd. Het beroep tegen de inhoudelijke beoordeling van het bezwaar heeft de rechtbank ongegrond verklaard.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.

4.1. De Raad stelt vast dat het ontslagbesluit van 10 januari 2001 met de uitspraak van de Raad van 10 maart 2005 in rechte onaantastbaar is geworden. Het verzoek van appellant strekt ertoe dat het college terugkomt van het ontslagbesluit.

4.2. Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen.

4.3. Appellant is ook in hoger beroep van mening dat de verklaring van mr. K. en de verklaring van de ex-bedrijfsmaatschappelijk werker van de Universiteit van Amsterdam als feiten of omstandigheden in deze zin moeten worden aangemerkt.

4.4. Wat betreft de verklaring van mr. K. kan de Raad appellant in die mening niet volgen. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat deze verklaring niet meer is dan een herhaling van de verklaring van K. van augustus 2004, waarvan de juistheid niet is betwist. Dat deze verklaring wel door mr. K. zelf en de eerdere verklaring (slechts) namens hem is ondertekend maakt dat niet anders. Hetgeen appellant met deze verklaring wenst te betogen had door hem ook in de eerder door hem gevoerde procedures naar aanleiding van het ontslagbesluit naar voren kunnen worden gebracht. De verklaring van mr. K. kan dan ook niet als een nieuw feit worden aangemerkt.

4.5. Met betrekking tot de verklaring van de voormalige bedrijfsmaatschappelijk werker overweegt de Raad als volgt. Nog daargelaten de omstandigheid dat niet is gebleken dat deze verklaring niet al (veel) eerder had kunnen worden verkregen, doet deze op generlei wijze afbreuk aan het oordeel dat de Raad op 10 maart 2005 over het ontslagbesluit heeft gegeven. De verklaring bevat een korte weergave van gesprekken die betrokkene eind jaren ’90 met, onder meer, appellant heeft gevoerd. Betrokkene vermeldt daarbij dat hem niet is bijgebleven dat het ontslag toen al in de lucht hing. Dit laatste houdt evenwel geen verband met datgene wat de reden heeft gevormd voor het ontslag van appellant, namelijk diens functioneren. De feiten rondom dat functioneren zoals de Raad die aan zijn uitspraak van 10 maart 2005 ten grondslag gelegd, komen door de verklaring niet in een ander daglicht te staan, in tegendeel. Dat betekent dat ook in zoverre niet van een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid als bedoeld onder 4.2 kan worden gesproken.

4.6. De Raad is gelet op het vorenstaande met de rechtbank van oordeel dat het college het verzoek van appellant van 19 mei 2005 op goede gronden onder verwijzing naar het eerdere ontslagbesluit heeft afgewezen.

4.7. Op grond van het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet voor zover aangevochten worden bevestigd.

5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan

artikel 8:75 van de Awb inzake vergoeding van de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en B. J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2011.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) N.M. van Gorkum.

RB