Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT6172

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-09-2011
Datum publicatie
30-09-2011
Zaaknummer
11/1118 WMO + 11/4586 WMO + 11/4587 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor een voorziening in de vorm van een adequate woning. De Raad is met het College van oordeel dat de door appellanten gevraagde voorziening niet valt onder de reikwijdte van de prestatievelden van artikel 4 van de Wmo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1118 WMO

11/4586 WMO

11/4587 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] en haar kinderen [kind 1] en [kind 2], wettelijk vertegenwoordigd door hun moeder, (hierna: appellanten)

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 5 januari 2011, 10/3579 (hierna: aangevallen uitspraak)

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (hierna: College)

Datum uitspraak: 14 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Fischer. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L.P. Baro en mr. J.M. Koedooder.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren [in] 1985, en haar zonen, geboren [in] 2008 en [in] 2009, zijn sinds de duurzame ontwrichting van de relatie van appellante met haar toenmalige vriend vanaf 31 december 2008 woonachtig op een kamer op het adres [adres 1] te [gemeente]. Vanaf 13 augustus 2009 staat appellante ingeschreven als woningzoekende bij Woonservice te Haarlem.

1.2. Op 12 november 2009 is namens appellanten bij het College een aanvraag voor een voorziening in de vorm van een adequate woning gedaan. Daartoe is een beroep gedaan op de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo). Appellanten hebben aangevoerd dat zij in een kleine kamer wonen, onder welke omstandigheden de ontwikkeling van de kinderen in gevaar komt en een normaal gezinsleven niet mogelijk is.

1.3. Het College heeft de aanvraag om de woonvoorziening bij besluit van 15 april 2010 afgewezen op de grond dat de aanvraag niet valt onder de werkingssfeer van artikel 4 van de Wmo, noch onder die van artikel 20, eerste lid, in verbinding met artikel 20, zesde lid, van de Wmo. Bovendien heeft het College zich op het standpunt gesteld dat, voor zover het de aanspraak op woonruimte betreft, er een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 2 van de Wmo is, namelijk de Huisvestingswet en de Huisvestingsverordening.

1.4. Bij besluit van 1 juli 2010 is het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 15 april 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het besluit van 1 juli 2010 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de hulpvraag van appellanten buiten het bereik van de Wmo valt en dat er bovendien sprake is van een voorliggende voorziening.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 4 van de Wmo bepaalt het volgende:

1. Ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4, 5 en 6, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, treft het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van de maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen:

a. een huishouden te voeren;

b. zich te verplaatsen in en om de woning;

c. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;

d. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.

2. Bij het bepalen van de voorzieningen houdt het college van burgemeester en wethouders rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen voorzien.

4.2. De Raad stelt allereerst vast dat appellanten het College met hun aanvraag van 12 november 2009 hebben verzocht om toewijzing van een voorziening in het kader van de Wmo. De door appellanten gevraagde voorziening kan naar het oordeel van de Raad niet worden aangemerkt als maatschappelijke opvang als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, van de Wmo, reeds niet omdat appellanten ten tijde van belang over woonruimte beschikten. In de definitie van maatschappelijke opvang wordt uitgegaan van ‘het tijdelijk bieden van onderdak, begeleiding, informatie en advies aan personen, die door een of meer problemen, al dan niet gedwongen de thuissituatie hebben verlaten en niet staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.’ De Raad overweegt daartoe dat het appellanten niet te doen is om tijdelijk onderdak, maar, zoals ter zitting is verduidelijkt, bemiddeling naar een woning in een andere gemeente dan de gemeente Haarlem.

4.3. Vervolgens is de Raad met het College van oordeel dat de door appellanten gevraagde voorziening niet valt onder de reikwijdte van de prestatievelden van artikel 4 van de Wmo. In artikel 4 van de Wmo zijn vier prestatievelden vermeld, waarop de door het College te verstrekken voorzieningen gericht moeten zijn: het voeren van een huishouden, het zich verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en het ontmoeten van medemensen en het op basis daarvan aangaan van sociale verbanden. Het toewijzen van een woning aan appellanten dan wel - zoals door de gemachtigde van appellanten ter zitting nader werd gepreciseerd - het bieden van hulp bij het vinden van een woning in de vorm van het zoeken van (telefonisch) contact met de gemeente Almere teneinde te trachten aldaar een woning voor appellanten te verkrijgen valt niet onder één van deze vier genoemde taakvelden. Dit betekent naar het oordeel van de Raad dat het College de aanvraag van appellanten onder verwijzing naar artikel 4 van de Wmo terecht heeft afgewezen.

4.4. Nu de door appellanten gevraagde voorziening buiten de prestatievelden van de Wmo valt, kan en zal de Raad het beroep van appellanten op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden onbesproken laten.

4.5. Gelet op hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en H.J. de Mooij als leden in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 september 2011.

(get.) R.M. van Male.

(get.) P.J.M. Crombach.

IJ