Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT2781

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-09-2011
Datum publicatie
28-09-2011
Zaaknummer
10-2339 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 november 2008 is appellant bericht dat zijn bezoldiging ingaande 8 december 2008, na een ziekteperiode van 52 weken, over de arbeidsgeschikte uren, zijnde 18 uren per week, volledig wordt uitbetaald en over de ziekteverlofuren, zijnde eveneens 18 uren per week, voor 85% wordt uitbetaald. Bij dit laatste is toepassing gegeven aan het tweede lid van artikel 8.5 van de CAO Universitair medische centra 2008-2011 (hierna: CAO). De Raad is van oordeel dat de medische beperkingen van appellant in redelijkheid kunnen worden toegerekend aan het dienstongeval. De enkele omstandigheid dat beperkingen als deze zich in zijn algemeenheid een jaar na een dergelijk ongeval niet meer plegen voor te doen, geeft in dit geval geen aanleiding voor een ander oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/29
Module Ambtenarenrecht 2013/1331
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2339 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 maart 2010, 09/2714 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van Bestuur van het Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam (hierna: raad van bestuur),

Datum uitspraak: 15 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De raad van bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2011. Appellant is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. De raad van bestuur heeft zich, daartoe opgeroepen bij gemachtigde, laten vertegenwoordigen door mr. G.G.A.M. van Terwisga-van den Broek, A. Groen-Bochanen en L. Wielemaker, allen werkzaam bij het Erasmus Universitair Medisch Centrum Rotterdam (EUMC).

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is werkzaam als medisch laborant bij het EUMC. Op 27 december 2007 is appellant een ongeval op het werk overkomen. Zijn linker middelvinger raakte toen bekneld tussen de handgreep en de zware deur van een vriezer. Ten gevolge van de daardoor optredende pijn is hij flauwgevallen en daarbij op zijn hoofd terechtgekomen. Nadien is een postcommotioneel syndroom met cognitieve stoornissen en overprikkelingsverschijnselen als diagnose gesteld. Appellant leed onder hoofdpijn, nekklachten, concentratieproblemen, stress en intolerantie voor geluid en licht. Appellant viel uit voor zijn werkzaamheden. Na enige tijd heeft hij deze werkzaamheden voor de helft hervat, met vier uur per dag.

1.2. Bij besluit van 17 november 2008 is appellant bericht dat zijn bezoldiging ingaande 8 december 2008, na een ziekteperiode van 52 weken, over de arbeidsgeschikte uren, zijnde 18 uren per week, volledig wordt uitbetaald en over de ziekteverlofuren, zijnde eveneens 18 uren per week, voor 85% wordt uitbetaald. Bij dit laatste is toepassing gegeven aan het tweede lid van artikel 8.5 van de CAO Universitair medische centra 2008-2011 (hierna: CAO). Bij het bestreden besluit van 23 juni 2009 heeft de raad van bestuur het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 november 2008 ongegrond verklaard, onder aanvulling van de motivering.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. In geding is of de oorzaak van de beperkingen van appellant ten gevolge waarvan hij per 8 december 2008 nog gedeeltelijk arbeidsongeschikt was voor zijn functie, is gelegen in het (dienst)ongeval van 27 december 2007. Bij bevestigende beantwoording van deze vraag heeft appellant op grond van artikel 8.5.3 van de CAO ook over zijn ziekteverlofuren aanspraak op betaling van zijn volledige bezoldiging.

3.2. De raad van bestuur heeft voornoemde vraag ontkennend beantwoord en zich daarbij beroepen op het oordeel van de bedrijfsarts dat de klachten en beperkingen van appellant niet meer zijn te relateren aan het dienstongeval. Appellant heeft bestreden dat dit oordeel juist is.

3.3. De Raad overweegt dat de hier voorliggende vraag niet uitsluitend door een medicus is te beantwoorden. Het gaat om de juridische causaliteit. Uiteindelijk is het daarom aan de rechter om de vraag te beantwoorden of de medische beperkingen van appellant in redelijkheid kunnen worden toegerekend aan het dienstongeval.

3.4. In dit verband acht de Raad van belang dat de medische beperkingen van appellant door de bedrijfsarts aanvankelijk wel zijn toegeschreven aan het ongeval van december 2007. Appellant heeft aangegeven dat zijn klachten rond de datum in geding nog dezelfde waren. Appellant heeft volledig meegewerkt aan onderzoeken om zijn beperkingen vast te stellen. Uitdrukkelijk is vastgesteld dat er geen aanwijzingen zijn dat appellant zijn beperkingen simuleert of aggraveert. Voor het ongeval ondervond appellant dit soort beperkingen in het geheel niet. Een andere oorzaak voor de beperkingen dan het ongeval kon niet worden vastgesteld.

3.5. Gelet op deze omstandigheden is de Raad van oordeel dat het er voor moet worden gehouden dat de oorzaak van de medische beperkingen van appellant op de datum in geding (nog steeds) was gelegen in het ongeval van december 2007. De enkele omstandigheid dat beperkingen als deze zich in zijn algemeenheid een jaar na een dergelijk ongeval niet meer plegen voor te doen, geeft in dit geval geen aanleiding voor een ander oordeel.

3.6. Dit brengt mee dat het bestreden besluit niet in stand kan worden gelaten. Ook de aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Aangezien het gebrek dat aan het bestreden besluit kleeft eveneens kleeft aan het besluit van 17 november 2008 en dit gebrek niet bij een nieuw besluit op bezwaar hersteld kan worden, zal de Raad dat besluit herroepen.

4. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding de raad van bestuur op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 437,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Herroept het besluit van 17 november 2008;

Veroordeelt de raad van bestuur in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 1.081,-;

Bepaalt dat de raad van bestuur aan appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal € 261,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 september 2011.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) M.C. Nijholt.

HD