Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT2635

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-09-2011
Datum publicatie
27-09-2011
Zaaknummer
10-3780 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag. Medewerker salarisadministratie bij gemeentelijke dienst DWI. Plichtsverzuim. Als medewerker van de DWI - de organisatie die met verstrekking van bijstand belast is – had betrokkene behoren te realiseren dat zij haar financiën zoveel mogelijk gescheiden diende te houden van die van haar bijstand ontvangende moeder en daarvoor actief naar een oplossing had moeten zoeken. Zo zij daarvoor zelf al niet een geschikte oplossing had weten te treffen, zoals het overbrengen van haar eigen gelden naar een afzonderlijke bankrekening, had het in ieder geval op haar weg gelegen hierover met haar leidinggevende te overleggen. Behulpzaamheid bij administratie levert op zich geen plichtsverzuim op. Rol bij aanvraag bijzondere bijstandsuitkering voor haar ouders staat onvoldoende vast. Het overgebleven plichtsverzuim rechtvaardigt de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet. De Raad voegt hieraan nog toe, dat ook de straf van voorwaardelijk ontslag naar zijn oordeel onevenredig zou zijn.

Het hoger beroep van het college slaagt wel voor zover dat de herroeping van het primaire besluit van 27 januari 2009 betreft. De Raad is met het college van oordeel dat de rechtbank, door dit besluit te herroepen, het bestreden besluit te vernietigen voor zover daarbij het primaire besluit in stand is gelaten en te bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd, het college ten onrechte de mogelijkheid heeft ontnomen zelf een andere, lichtere disciplinaire straf op te leggen. De Raad zal de aangevallen uitspraak in zoverre vernietigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/28
Module Ambtenarenrecht 2013/1321
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3780 AW en 10/4143 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene),

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college)

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 juni 2010, 09/2885 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

betrokkene

en

het college

Datum uitspraak: 15 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Betrokkene en het college hebben hoger beroep ingesteld.

Beide partijen hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2011. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. K. de Bie, advocaat te Amsterdam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.C.D. van der Linde, arbeidsjurist bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Betrokkene was van 1998 tot 1 januari 2006 werkzaam als medewerker personeelsadministratie bij de gemeentelijke dienst Maatwerk en vervolgens, na de fusie van die dienst met de Sociale Dienst Amsterdam en de NV Werk, als medewerker salarisadministratie bij de per 1 januari 2006 opgerichte Dienst Werk en Inkomen (hierna: DWI).

1.2. Uit onderzoek is gebleken dat de moeder van betrokkene, die een bijstanduitkering ontvangt, in strijd met de op haar rustende inlichtingenplicht het bestaan van twee, mede op naam van betrokkene gestelde, bankrekeningen niet aan de gemeente heeft opgegeven. In verband hiermee heeft het onderdeel Integriteit van de Interne Accountantsdienst van de DWI een onderzoek ingesteld naar een mogelijke integriteitschending door betrokkene. De resultaten van dit onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest om betrokkene bij besluit van 27 januari 2009 met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag op te leggen. Dit besluit is, na bezwaar, gehandhaafd bij besluit van 16 juni 2009 (hierna: bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, geoordeeld dat slechts een deel van de aan betrokkene verweten gedragingen is aan te merken als plichtsverzuim. De rechtbank is gelet daarop en gelet op het feit dat betrokkene in haar functie op geen enkele wijze betrokken was bij de verstrekking van bijstandsuitkeringen van oordeel dat de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag onevenredig is aan het gepleegde plichtsverzuim. De rechtbank heeft het hoger beroep van betrokkene daarom gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van 27 januari 2009 herroepen.

3.1. In hoger beroep heeft betrokkene gesteld dat haar helemaal geen plichtsverzuim kan worden verweten, althans geen plichtsverzuim dat kan leiden tot de oplegging van een disciplinaire straf.

3.2. Het college heeft in zijn hoger beroep gesteld dat alleen al op basis van wat de rechtbank als verwijtbaar gedrag heeft aangemerkt, de straf van ontslag volkomen gerechtvaardigd was. Daarnaast leverde volgens het college ook het feit dat betrokkene de administratie van haar moeder deed en het feit dat zij betrokken was bij een aanvraag van bijzondere bijstand door haar ouders plichtsverzuim op, nu betrokkene wist dat er verzwegen bankrekeningen waren, waardoor die bijstand ten onrechte werd verstrekt. Dat betrokkene zelf niet functioneel betrokken was bij het verstrekken van bijstandsuitkeringen maakt het plichtsverzuim volgens het college niet minder ernstig. Voorts heeft het college gesteld dat de rechtbank ten onrechte, in plaats van te volstaan met vernietiging van het bestreden besluit, ook het primaire besluit heeft vernietigd. Hierdoor wordt aan het college de mogelijkheid ontnomen om betrokkene zelf alsnog een andere straf op te leggen.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad het volgende.

4.1. Bij zijn uitspraken van 18 januari 2011, 08/6059 WWB-T, LJN BP1798 en van 24 mei 2011, 08/6059 WWB en 11/2477 WWB, LJN BQ6533, heeft deze Raad ten aanzien van de bijstand die aan de moeder van betrokkene is verstrekt, vastgesteld dat de beide verzwegen bankrekeningen (die mede op naam van betrokkene stonden), verondersteld worden tot het vermogen te behoren waarover de moeder beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. De moeder is er niet in geslaagd het tegendeel aannemelijk te maken. Nu de tegoeden op die bankrekeningen de voor haar geldende vermogensgrens overschreden, heeft de moeder haar inlichtingenplicht geschonden en had zij van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2006 geen recht op bijstand. Het in verband hiermee door het college nader vastgestelde terugvorderingsbedrag, waarmee de moeder zich kan verenigen, is € 2.244,21.

Vast staat derhalve, dat sprake is geweest van ten onrechte verstrekte bijstand aan de moeder van betrokkene. Dit geding spitst zich toe op de vraag, welke betrokkenheid betrokkene daarbij heeft gehad, in hoeverre daarbij sprake is geweest van plichtsverzuim, en of - gelet op het vastgestelde plichtsverzuim - de gegeven bestraffing stand kan houden.

4.2. De Raad stelt vast dat partijen in hoge mate verdeeld zijn over de feitelijke toedracht. In verband daarmee wijst de Raad erop, dat naar vaste rechtspraak (CRvB 14 oktober 1999, LJN AA4696 en TAR 1999, 155) in het ambtenarentuchtrecht als maatstaf voor de feitenvaststelling geldt dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat de ambtenaar zich aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt.

4.3. De Raad zal aan de hand van die maatstaf ingaan op de vraag of betrokkene zich aan de verschillende onderdelen van het tenlastegelegde plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. Hij bespreekt daarbij eerst, naar aanleiding van het hoger beroep van betrokkene, die gedragingen die door de rechtbank wel als plichtsverzuim zijn aangemerkt. Vervolgens bespreekt hij de gedragingen die volgens het college door de rechtbank ten onrechte niet als plichtsverzuim zijn bestempeld.

5.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel, dat betrokkene zich als medewerker van de DWI - de organisatie die met verstrekking van bijstand belast is - had behoren te realiseren dat zij haar financiën zoveel mogelijk gescheiden diende te houden van die van haar bijstand ontvangende moeder en daarvoor actief naar een oplossing had moeten zoeken. Zo zij daarvoor zelf al niet een geschikte oplossing had weten te treffen, zoals het overbrengen van haar eigen gelden naar een afzonderlijke bankrekening, had het in ieder geval op haar weg gelegen hierover met haar leidinggevende te overleggen. Nu betrokkene in beide opzichten in gebreke is gebleven, staat dit onderdeel van het plichtsverzuim voldoende vast.

5.2. De Raad merkt hierbij wel op, dat het - zoals ter zitting van de Raad is vastgesteld - bij de overgang van betrokkene en haar afdeling naar de DWI kennelijk heeft ontbroken aan een goede introductie over de bijzondere integriteitseisen die het werken bij de DWI aan de medewerkers stelt. Pas in september 2006 zijn die eisen, via een groot artikel op Intranet en een aan alle medewerkers gerichte e-mail over “vijf hoofdzonden”, uitdrukkelijk onder de aandacht gebracht. In dit geval is met name van belang hetgeen onder hoofdzonden 4 en 5 wordt gesteld: “zorg dat je nooit, op geen enkele wijze, betrokken bent of raakt bij een uitkering van een familielid; bij twijfel, informeer en overleg altijd met je leidinggevende; en vermijd belangenverstrengeling en de schijn hiervan”. Als betrokkene deze berichten niet heeft gelezen komt dat, zoals de rechtbank terecht heeft gesteld, voor haar risico. Het plichtsverzuim kan haar dan ook - in ieder geval vanaf september 2006 - verweten worden.

5.3. De Raad deelt voorts het oordeel van de rechtbank dat betrokkene op het moment in maart 2007 dat zij bekend werd met het onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstanduitkering van haar moeder, contact had moeten zoeken met haar leidinggevende om de mogelijke schijn van belangenverstrengeling te bespreken. Betrokkene had dan ook aan haar leidinggevende kunnen voorleggen wat haar opstelling bij het fraudeonderzoek diende te zijn. In ieder geval had zij, voordat zij haar moeder op 21 maart, 30 maart en 18 april 2007 vergezelde naar gesprekken in verband met het onderzoek, moeten nagaan of het haar was toegestaan om haar moeder bij dergelijke gesprekken bij te staan. Nu betrokkene dit heeft nagelaten is ook in dit opzicht sprake van plichtsverzuim, waarvan betrokkene - zoals onder 5.2 is overwogen - zich bewust had moeten zijn en dat haar verweten kan worden.

5.4. Naar aanleiding van de beroepsgrond van betrokkene dat, voor zover al sprake was van plichtsverzuim, dat verzuim zo licht was dat voor het opleggen van een disciplinaire straf in het geheel geen plaats is, merkt de Raad op dat hij die opvatting niet deelt. De Raad is van oordeel dat het blijkens 5.1 en 5.2 vaststaande plichtsverzuim niet zo licht is dat daarbij geen enkele vorm van disciplinaire bestraffing past. Het hoger beroep van betrokkene slaagt dan ook niet.

6.1. Naar aanleiding van het hoger beroep van het college overweegt de Raad dat hij met de rechtbank van oordeel is, dat het feit dat betrokkene haar moeder behulpzaam was bij haar administratie op zichzelf geen plichtsverzuim oplevert, ook niet vanaf het moment dat zij bij de DWI werkzaam was en kennis behoorde te hebben van de daar geldende integriteitseisen. Dat zou anders zijn als die administratieve hulp mede zou hebben betroffen de bijstandverlening aan haar moeder. Daarover heeft betrokkene echter - onweersproken - gesteld dat niet zij, maar haar schoonzuster bij dat deel van de administratie behulpzaam was en dat zij haar moeder alleen naar de onderzoeksgesprekken had vergezeld, omdat haar schoonzuster toen niet beschikbaar was. De Raad is dan ook van oordeel dat dit onderdeel van het aan betrokkene verweten plichtsverzuim onvoldoende vast staat.

6.2. Ook wat betreft de eventuele hulp van betrokkene bij een in 2000 gedane aanvraag van bijzondere bijstand door haar ouders voor de aanschaf van een bankstel is de Raad met de rechtbank van oordeel dat hier geen sprake was van plichtsverzuim. Niet alleen is de rol van betrokkene bij deze aanvraag onvoldoende komen vast te staan, maar bovendien was betrokkene destijds nog niet bij de DWI werkzaam en is niet aangetoond dat dergelijke hulp ook bij medewerkers van Maatwerk, waar betrokkene in die tijd werkte, als plichtsverzuim zou zijn aangemerkt.

6.3. De Raad stelt vast dat het hoger beroep van het college wat betreft de omvang van het door de rechtbank aangenomen plichtsverzuim niet slaagt. De Raad is voorts met de rechtbank - en anders dan het college - van oordeel dat het overgebleven plichtsverzuim de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet rechtvaardigt. De Raad voegt hieraan nog toe, dat ook de straf van voorwaardelijk ontslag naar zijn oordeel onevenredig zou zijn.

6.4. Het hoger beroep van het college slaagt wel voor zover dat de herroeping van het primaire besluit van 27 januari 2009 betreft. De Raad is met het college van oordeel dat de rechtbank, door dit besluit te herroepen, het bestreden besluit te vernietigen voor zover daarbij het primaire besluit in stand is gelaten en te bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd, het college ten onrechte de mogelijkheid heeft ontnomen zelf een andere, lichtere disciplinaire straf op te leggen. De Raad zal de aangevallen uitspraak in zoverre vernietigen.

7. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het besluit van 27 januari 2009 is herroepen en is bepaald dat die uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 16 juni 2009 voor zover dat is vernietigd;

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, voor zover aangevochten;

Draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 16 juni 2009 met inachtneming van deze uitspraak van de Raad.

Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2011.

(get.) K. Zeilemaker.

(get.) M.C. Nijholt.