Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT2456

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-09-2011
Datum publicatie
26-09-2011
Zaaknummer
11-480 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WW-uitkering. De door appellant verstrekte informatie bevat zoveel onduidelijkheden en tegenstrijdigheden dat zij onvoldoende aanknopingspunten biedt om over de periode van 1 februari 2004 tot en met 31 oktober 2006 tot een beredeneerde schatting van de door hem daadwerkelijk gewerkte dagen en uren te kunnen komen. Het recht op WW-uitkering over de periode van 1 februari 2004 tot en met 31 oktober 2006 kan niet worden vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 22a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2011/299
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/480 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 december 2010, 10/733 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 21 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F-N. Grooss, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door

mr. D.J.A. Cardon, kantoorgenoot van mr. Grooss. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving met ingang van 1 mei 2002 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van

21 oktober 2003 is appellant toestemming als bedoeld in artikel 76 van de WW verleend om met ingang van 1 november 2003 tot en met 1 februari 2004 op proef bij [naam B.V.] te gaan werken. Het verzoek van appellant om deze proefplaatsing met drie maanden te verlengen is bij besluit van 30 januari 2004 afgewezen.

1.2. Bij besluit van 8 oktober 2009 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant ingetrokken over de periode van

1 februari 2004 tot en met 31 oktober 2006. Bij hetzelfde besluit heeft het Uwv een bedrag van € 46.422,08 bruto als onverschuldigd betaalde uitkering van appellant teruggevorderd. Bij besluit van 15 januari 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 oktober 2009 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat het aan appellant was om aannemelijk te maken hoeveel uren hij heeft gewerkt, maar dat appellant bij gebreke van concrete, verifieerbare gegevens onvoldoende aanknopingspunten heeft verschaft om de omvang van zijn werkzaamheden voor [naam B.V.] in de periode van 1 februari 2004 tot en met 31 oktober 2006 te kunnen vaststellen. Daarmee heeft appellant niet aannemelijk kunnen maken hoeveel uren hij heeft gewerkt, zodat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het recht op WW-uitkering in de periode van 1 februari 2004 tot en met 31 oktober 2006 niet kan worden vastgesteld. Volgens de rechtbank was het Uwv gehouden tot intrekking en terugvordering van de gehele over die periode verstrekte uitkering over te gaan.

3. In hoger beroep heeft appellant alsnog een urenverantwoording overgelegd, waaruit zou blijken dat hij gemiddeld 40 uur per maand voor [naam B.V.] werkte, derhalve 10 uur per week. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat daarmee alsnog kan worden vastgesteld dat hij werkloos was en recht had op een WW-uitkering in de periode van 1 februari 2004 tot en met 31 oktober 2006.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij hij voor de toepasselijke wettelijke bepalingen verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1. De Raad dient de vraag te beantwoorden of het Uwv op goede gronden heeft besloten - met toepassing van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW - tot intrekking van de uitkering wegens de omstandigheid dat het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting in artikel 25 van de WW ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.

4.2. Niet in geschil is dat appellant in de periode van 1 februari 2004 tot en met 31 oktober 2006 werkzaamheden voor [naam B.V.] heeft verricht en dat hij deze werkzaamheden niet heeft vermeld op de werkbriefjes. Evenmin is in geschil dat deze werkzaamheden gevolgen kunnen hebben voor zijn recht op WW-uitkering en dat appellant, door deze niet te vermelden, de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden.

4.3. De door appellant in bezwaar en beroep overgelegde informatie biedt onvoldoende aanknopingspunten om op basis daarvan de door appellant gewerkte uren te kunnen bepalen, dan wel een beredeneerde schatting daarvan te maken. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door appellant achteraf opgestelde kilometerregistratie en het overzicht van zijn onkostendeclaraties hiertoe onvoldoende zijn, nu deze geen inzicht bieden in de door appellant gewerkte uren.

4.4. Met betrekking tot de in hoger beroep door appellant overgelegde urenregistratie merkt de Raad op dat appellant eerder heeft verklaard dat geen urenregistratie werd bijgehouden, omdat hij geen loon ontving. Achteraf zou zijn gebleken dat de werkgever wel een urenregistratie bijhield. Appellant heeft ten aanzien van zijn werkzaamheden voor [naam B.V.] ter zitting gesteld dat hij tijdens de proefplaatsing andere werkzaamheden heeft verricht dan na de proefplaatsing. Tijdens de proefplaatsing was hij fulltime op kantoor aanwezig en na de proefplaatsing zou hij hand- en spandiensten hebben verricht, bestaande uit het maken van foto’s en het verkrijgen van objectinformatie ten behoeve van het opstellen van brochures. Hij vertrok naar de desbetreffende locatie niet vanaf kantoor, maar vanuit huis en leverde na uitvoering van zijn opdracht de verkregen informatie bij [naam B.V.] in. Onduidelijk is hoe [naam B.V.] inzicht kan hebben gehad in de feitelijke tijdsbesteding door appellant aan de hem verstrekte opdrachten, nu appellant de werkzaamheden niet op kantoor verrichtte en zelf geen overzicht bijhield van de door hem gewerkte uren. De werkgever zou hier hooguit een inschatting van hebben kunnen maken. Bovendien is onduidelijk hoe appellant, zoals hij zelf stelt, de urenverantwoording heeft kunnen controleren, nu hij zelf geen urenregistratie heeft bijgehouden.

4.5. Appellant heeft op 3 juli 2009 tegenover inspecteurs van de directie Handhaving van het Uwv verklaard dat hij tijdens de proefplaatsing foto’s maakte en informatie vergaarde ten behoeve van brochures en dat die werkzaamheden na afloop van deze periode onverminderd zijn doorgegaan. Dit duidt niet op een wijziging in de werkzaamheden na afloop van de proefplaatsing. Ondanks het feit dat appellant van zijn verklaring een afschrift heeft ontvangen, heeft hij in latere verhoren geen aanleiding gezien om hiervan terug te komen, maar heeft hij verklaard dat hij na 1 februari 2004 hand- en spandiensten is blijven verrichten voor [naam B.V.]. Ter zitting van de rechtbank heeft appellant vervolgens verklaard dat hij deze werkzaamheden niet aansluitend aan het eindigen van de proefplaatsing is gaan verrichten, maar pas in april of mei 2004. Volgens de urenverantwoording zou appellant al vanaf 4 februari 2004 werkzaamheden buiten kantoor voor [naam B.V.] hebben verricht.

4.6. Verder heeft de moeder van appellant het Uwv op 15 mei 2006 geïnformeerd dat haar zoon op 10 mei 2006 is opgenomen in het ziekenhuis [naam ziekenhuis] en dat haar niet bekend is wanneer hij uit het ziekenhuis zou worden ontslagen, maar dat de behandelend longarts heeft gezegd dat dit nog twee of drie maanden zou duren. Dit strookt met het feit dat appellant in de periode van 8 mei 2006 tot en met 26 juni 2006 geen sollicitatieactiviteiten heeft verricht. Volgens de urenverantwoording zou appellant op 10, 11, 22 en 23 mei 2006 en op zeven dagen in juni 2006 werkzaamheden ten behoeve van [naam B.V.] hebben verricht. Appellant heeft ter zitting van de Raad nadrukkelijk afstand genomen van de verklaring van zijn moeder, stellende dat hij begin mei 2006 drie dagen in het ziekenhuis heeft gelegen met een longontsteking, en dat hij daarna gewoon weer werkzaamheden kon verrichten voor [naam B.V.]. Hij heeft deze stelling echter niet onderbouwd.

4.7. Uit 4.3 tot en met 4.6 volgt dat de door appellant verstrekte informatie zoveel onduidelijkheden en tegenstrijdigheden bevat dat zij onvoldoende aanknopingspunten biedt om over de periode van 1 februari 2004 tot en met 31 oktober 2006 tot een beredeneerde schatting van de door hem daadwerkelijk gewerkte dagen en uren te kunnen komen. Het Uwv heeft zich in deze situatie terecht op het standpunt gesteld dat het recht op WW-uitkering over de periode van 1 februari 2004 tot en met 31 oktober 2006 niet kan worden vastgesteld. Het met toepassing van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder c, van de WW genomen intrekkingsbesluit dient dan ook in stand te blijven.

4.8. Tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de terugvordering heeft appellant geen zelfstandige gronden aangevoerd.

4.9. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J. Riphagen en B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

21 september 2011.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M.A. van Amerongen.

GdJ