Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT2452

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-09-2011
Datum publicatie
26-09-2011
Zaaknummer
10-736 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging uitkering krachtens de ZW. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/736 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 december 2009, 09/1507 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Martens, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 10 augustus 2011. Voor appellant is mr. Martens verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J. Hut.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellant, laatstelijk werkzaam geweest als timmerman, is in oktober 2004 uitgevallen met klachten vanwege artrose en het fibromyalgiesyndroom. Bij besluit van 22 augustus 2006, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 oktober 2006, heeft het Uwv geweigerd om appellant een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, op de grond dat appellant in staat moet worden geacht om de voor hem geduide functies te verrichten waardoor zijn loonverlies minder dan 35% bedraagt.

2. Op 3 december 2008 heeft appellant zich vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving ziek gemeld met toegenomen reumatische klachten en met pijnklachten over het gehele lichaam. Op

15 januari 2009 is appellant onderzocht door een verzekeringsarts, die op basis van eigen onderzoek heeft geconstateerd dat sprake is van dezelfde bevindingen als vastgesteld bij de Wet WIA-beoordeling van 12 juni (lees: juli) 2006. Op grond daarvan heeft deze verzekeringsarts appellant met ingang van 19 januari 2009 weer geschikt geacht voor het verrichten van zijn arbeid, te weten één van de in het kader van de Wet WIA-beoordeling aan appellant voorgehouden functies. Bij besluit van 15 januari 2009 is appellants uitkering krachtens de Ziektewet (ZW) met ingang van 19 januari 2009 beëindigd. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 15 april 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 15 januari 2009 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport ten grondslag van de bezwaarverzekeringsarts J. van der Stoep van 14 april 2009.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat het medische onderzoek zorgvuldig was verricht. Aangezien appellant geen medische gegevens heeft ingebracht waaruit het tegendeel blijkt, zag de rechtbank geen aanleiding om een onafhankelijk deskundige in te schakelen zoals door appellant was verzocht.

4. Met betrekking tot hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Naar de Raad reeds bij herhaling heeft overwogen dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt volgens vaste jurisprudentie van de Raad echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Inmiddels heeft de Raad al meerdere malen uitgesproken dat in dergelijke gevallen van ongeschiktheid in de zin van de ZW geen sprake is indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die ten grondslag hebben gelegen aan de schatting in het kader van de Wet WIA.

4.2. De Raad staat derhalve voor de beantwoording van de vraag of hij zich kan stellen achter het oordeel van de rechtbank dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant met ingang van 19 januari 2009 in elk geval niet (langer) ongeschikt moet worden geacht voor één van de aan hem in het kader van de Wet WIA-beoordeling voorgehouden functies, te weten wikkelaar (sbc 267050), vleeswarenmaker (sbc 271070) en productiemedewerker papier (sbc 111174).

4.3. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bij een beroep tegen een beëindiging van de ZW-uitkering gaat om de vraag of betrokkene als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte per de datum in geding verhinderd is de in aanmerking komende arbeid te vervullen. Daarbij staat ter beoordeling of het onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voldoende zorgvuldig is geweest en of de bevindingen en conclusies van dat onderzoek het bestreden besluit kunnen dragen. Naar het oordeel van de Raad is daarvan in de onderhavige zaak sprake. De Raad wijst hier op meergenoemde rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Van der Stoep van 14 april 2009 alsmede op zijn rapportages van 15 juni 2009 en 5 november 2009 waarin hij is ingegaan op de door appellant bij de rechtbank aangebrachte gronden. In voormelde rapportages is door de bezwaarverzekeringsarts gemotiveerd het standpunt herhaald dat er geen aanleiding is om het bestreden besluit niet te handhaven.

5. Met de rechtbank acht de Raad door appellant niet aannemelijk gemaakt dat, in vergelijking met zijn gezondheidstoestand van voor de ziekmelding, van een toename van zijn beperkingen sprake is. De in hoger beroep ingebrachte brief van de behandelend reumatoloog K.H. Han van 2 maart 2010 maakt dat niet anders. Zoals de bezwaarverzekeringsarts Van der Stoep in zijn rapportage van 1 april 2010 heeft aangegeven bevat die brief geen nieuwe gegevens, aangezien bij het nemen van het bestreden besluit het beeld van het fibromyalgiesyndroom al bekend was en bovendien ook rekening is gehouden met de artrose van de gewrichten, waaronder de knieën. De Raad ziet dan ook geen grond voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige.

6. Vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) H.L. Schoor.

KR