Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT2431

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-09-2011
Datum publicatie
26-09-2011
Zaaknummer
09-5785 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5785 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 9 oktober 2009, 09/499 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat te Lelystad, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2011.

Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Gloudi. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.

II. OVERWEGINGEN

1. Appellante heeft vanaf 9 november 2007 via een uitzendbureau als productiemedewerkster van vliegtuigmaaltijden bij [naam bedrijf] te [plaatsnaam] gewerkt. Zij heeft zich op 25 september 2008 na een verkeersongeval met diverse klachten ziek gemeld.

2. Bij besluit van 8 december 2008 is aan appellante meegedeeld dat haar met ingang van 9 december 2008 geen ziekengeld meer werd uitgekeerd, omdat zij op en na deze datum niet meer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van haar arbeid.

3. Bij besluit van 6 maart 2009 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 december 2008 ongegrond verklaard.

4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat het onderzoek door de (bezwaarverzekering)arts voldoende zorgvuldig is geweest en zag geen aanleiding om het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts voor onjuist te houden. De rechtbank heeft in dit verband verwezen naar het door de bezwaarverzekeringsarts op 4 maart 2009 uitgebrachte rapport, waaruit blijkt dat bij lichamelijk onderzoek van appellante geen afwijkingen zijn vastgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts verder de medische informatie van de huisarts op zorgvuldige wijze bij de beoordeling betrokken. De door appellante in beroep overgelegde medische informatie heeft de rechtbank, gezien de reactie van de bezwaarverzekeringsarts zoals verwoord in het rapport van 7 augustus 2009, niet tot een ander oordeel gebracht.

5.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en heeft ter zake nog het volgende overwogen.

De Raad stelt vast dat de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts bij lichamelijk onderzoek van appellante geen afwijkingen ter verklaring van haar klachten hebben gevonden, zodat er geen medisch objectiveerbare onderbouwing meer bestond voor de door appellante geclaimde beperkingen voor het verrichten van haar werk. De bezwaarverzekeringsarts heeft bovendien nog een werkomschrijving opgemaakt en aan de hand daarvan vastgesteld dat het werk aan de lopende band niet te belastend was voor appellante. Verder is in voormeld rapport van 7 augustus 2009 ook naar het oordeel van de Raad voldoende overtuigend uiteengezet dat de door de huisarts gesignaleerde nek-, schouder- en armklachten van appellante niet medisch objectiveerbaar zijn.

5.2. De gemachtigde van appellante heeft in hoger beroep wel een grote hoeveelheid - ten dele ook reeds in beroep overgelegde - stukken van de behandelend sector ingezonden, maar hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze stukken medische gegevens bevatten die een ander licht werpen op de gezondheidstoestand van appellante ten tijde in geding. In aanmerking nemend dat het hier gaat om stukken die, voor zover niet reeds bekend, van een latere datum zijn dan hier in geding, ziet de Raad in hetgeen appellante onder verwijzing naar die stukken heeft aangevoerd geen reden voor een ander oordeel dan dat van de rechtbank.

6. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 en 5.2 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

21 september 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) M.A. van Amerongen.

IvR