Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT2427

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-09-2011
Datum publicatie
26-09-2011
Zaaknummer
10-6543 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering ziekengeld. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6543 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 20 oktober 2010, 09/721 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Ph.C. Kleyn van Willigen, advocaat te Almelo, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 28 juli 2011 heeft appellant nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2011.

Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. Kleyn van Willigen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A. Ruis.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De aan appellant met ingang van 28 juni 2000 toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, is bij besluit van 9 december 2003 met ingang 10 februari 2004 ingetrokken, omdat appellant niet langer arbeidsongeschikt werd geacht in de zin van deze wet. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 2 juli 2004 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend.

1.2. Appellant heeft zich per 11 december 2006 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ziekgemeld op grond van diverse klachten, waaronder schouderklachten. Bij besluit van 26 mei 2008 wordt appellant met ingang van 2 juni 2008 niet langer ongeschikt geacht voor het verrichten van één van de, in het kader van de WAO-beoordeling voor hem geselecteerde functies, te weten sorteerder. Het tegen dit besluit door appellant gemaakte bezwaar is, mede op basis van de bevindingen van een bezwaarverzekeringarts, bij besluit van 29 oktober 2008 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is eveneens geen rechtsmiddel aangewend.

1.3. Hangende het bezwaar tegen het besluit van 26 mei 2008 heeft appellant zich per 18 augustus 2008, wegens toegenomen rechter schouderklachten, wederom ziekgemeld.

2. Bij besluit van 6 februari 2009 is aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 11 februari 2009 geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). Dit besluit is gebaseerd op verzekeringsgeneeskundig onderzoek waarbij (wederom) is vastgesteld dat appellant niet ongeschikt is voor de functie van sorteerder. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 8 juni 2009 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

4. In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de bezwaarverzekeringsarts de belastbaarheid van appellant juist heeft vastgesteld. Appellant stelt dat zijn beperkingen zijn onderschat. Appellant verzoekt de Raad een deskundige te benoemen indien de Raad zijn standpunt ten aanzien van dit aspect niet volgt. Appellant is tot slot van mening dat hij door zijn klachten niet in staat is de functie van sorteerder te verrichten. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft appellant diverse stukken in geding gebracht, waaronder informatie van huisarts U.J. Heikens van 31 december 2009, een voortgangsrapport van Dimence van 7 april 2011 en een beschikking indicatie WSW van 14 september 2009.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt in een geval als het onderhavige, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van de Ziektewet (ZW) verstaan gangbare arbeid, zoals nader geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering ingevolge de WAO in de vorm van een aantal geselecteerde functies. Onder zijn arbeid moet in deze zaak worden verstaan de in 2003 geselecteerde functies die destijds medisch en arbeidskundig als passend zijn aangemerkt en wel elk van deze functies afzonderlijk, waaronder de functie van sorteerder.

5.2. De Raad staat derhalve voor de beantwoording van de vraag of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant met ingang van 11 februari 2009 niet (langer) ongeschikt moet worden geacht voor de functie van sorteerder.

5.3. De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend. In dit kader overweegt de Raad in de beschikbare medische informatie onvoldoende aanknopingspunten te zien om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsartsen, dat geen sprake is van een relevante toename van de beperkingen van appellant per de datum in geding. Verder overweegt de Raad dat verzekeringsarts T. Giesen mede op basis van informatie van de behandelend orthopaedisch chirurg van 16 september 2008 en de huisarts van 3 maart 2009 gemotiveerd heeft gesteld dat appellant, rekening houdende met de diverse bij hem aanwezige aandoeningen en klachten, geschikt te achten is voor de functie van sorteerder. De bezwaarverzekeringsarts J.P. Voogd heeft dit standpunt, naar het oordeel van de Raad in zijn rapport van 5 juni 2009 voldoende gemotiveerd onderschreven, waarbij voorts informatie van de behandelend psycholoog H. Mulder, werkzaam bij Dimence, is betrokken.

5.4. Ook de door appellant in hoger beroep ingebrachte informatie kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden. Hierbij wijst de Raad er op dat de informatie van de huisarts met name betrekking heeft op door appellant sinds eind 2009, dus na de datum in geding, ervaren oogklachten. Voorts blijkt uit de informatie van psychiater J.L.P. Neetens van

7 april 2011 evenmin dat de bezwaarverzekeringsarts ten tijde van de heroverweging in bezwaar van onjuiste gegevens is uitgegaan. Onder deze omstandigheden ziet de Raad ook geen aanleiding voor een onderzoek door een deskundige.

5.5. Wat betreft de in hoger beroep overgelegde informatie met betrekking tot de (her)indicatie voor de WSW oordeelt de Raad dat aan deze informatie niet die waarde toegekend kan worden die appellant, gelet op hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, daaraan toegekend wil zien. Allereerst oordeelt de Raad dat een WSW-traject een ander doel heeft en gebaseerd is op een ander wettelijk kader met andere criteria dan de onderhavige ZW-beoordeling. Aan de in het WSW-traject gemaakte afspraken komt dan ook geen rechtstreekse betekenis toe en zij kunnen op zichzelf niet leiden tot de conclusie dat de belastbaarheid in het kader van de ZW onjuist is vastgesteld. Voorts oordeelt de Raad dat de aan het WSW-besluit ten grondslag liggende medische stukken niet zijn overgelegd waardoor de medische onderbouwing van de in het kader van de WSW aangenomen beperkingen ontbreekt. Tot slot overweegt de Raad dat het WSW-besluit dusdanig kort voor de zitting is overgelegd, dat het Uwv niet in staat is geweest hierop inhoudelijk te reageren, hetgeen voor risico van appellant dient te komen.

6. Hetgeen onder 5.1 tot en met 5.5 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv appellant op juiste gronden met ingang van 11 februari 2009 ziekengeld heeft geweigerd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

7. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2011.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) H.L. Schoor.

TM