Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT2328

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-09-2011
Datum publicatie
23-09-2011
Zaaknummer
10-6280 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6280 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 oktober 2010, 09/152 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.A.A. Lelijveld, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 19 juni 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 20 oktober 2007 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 25 november 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven en het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Met betrekking tot de medische component van de schatting heeft de rechtbank geoordeeld geen reden te hebben om te twijfelen aan de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen. Daartoe heeft de rechtbank als volgt overwogen, waar voor eiser wordt gelezen appellant:

“5.2 Eiser is diverse malen onderzocht. Een psychiatrische expertise is opgesteld door psychiater Hassing. In de onderzoeken van de verzekeringsartsen na informatie verkregen van derden en eigen onderzoek alsmede het onderzoek van de psychiater werd geconcludeerd dat er geen duidelijke psychiatrische stoornis kon worden waargenomen. Er is sprake van inconsistenties en een nagebootste stoornis kan niet uitgesloten worden. Bij het vaststellen van de belastbaarheid heeft de verzekeringsarts aangesloten bij het klachtenpatroon van eiser en rekening gehouden met subjectieve hoofdpijnklachten en gebruik van antidepressiva, hoewel eiser het gebruik niet kon aantonen. Verder zijn beperkingen aangenomen op de aspecten stress en deadlines, conflicthantering en leidinggeven, geen excessieve werktijd of ’s nachts werken. Ook worden vanwege rug- en nekklachten ondanks het ontbreken van objectiveerbare afwijkingen beperkingen aangenomen voor zware dynamische belasting en geen bovennormale activiteit. Er worden geen extra beperkingen opgenomen in de rubriek persoonlijk functioneren. Eiser beheerst het Nederlands redelijk blijkt uit het verslag van 26 november 2007. Er is geen aanleiding om het primaire oordeel te herzien, aldus de bezwaarverzekeringsarts.

5.3 De rechtbank heeft vanwege de stelling van de eiser dat een nagebootste stoornis een psychische aandoening (DSM-IV 300.16) is, waarbij gedrag opzettelijk, vrijwillig en doelbewust is zonder dat eiser de controle hierover heeft, de bezwaarverzekeringsarts nadere vragen gesteld. In de rapportage van 29 juli 2010 antwoordt bezwaarverzekeringsarts K.T. Tan dat niet zozeer essentieel is het bestaan van een ziektebeeld, maar in hoeverre de klachten die hieruit voortvloeien, kunnen leiden tot arbeidsbeperkingen. De nagebootste stoornis uit zich bij eiser in fysieke klachten, te weten hoofdpijn en pijn in de linker lichaamshelft. Neurologisch onderzoek biedt echter geen objectiveerbare afwijkingen en voor deze klachten zijn evenmin psychische beperkingen van toepassing. De nagebootste stoornis wordt blijkens de expertise van psychiater Hassing niet gezien als psychiatrische stoornis. Tot slot geeft de bezwaarverzekeringsarts aan dat het DSM-IV-R systeem een classificatie systeem is dat is bedoeld voor behandelaren inzake diagnostiek en behandeling en niet bedoeld is voor de interpretatie binnen juridische vraagstukken. Om die reden is bijstelling van de functionele mogelijkheden niet van toepassing. Gelet op het bovenstaande is de rechtbank met verweerder van oordeel dat het betoog van eiser niet kan slagen.”

3. In hoger beroep heeft appellant in essentie dezelfde gronden aangevoerd als hij in beroep heeft gedaan. Volgens appellant heeft het Uwv zijn psychische beperkingen onderschat.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Met betrekking tot de medische beoordeling van het bestreden besluit heeft de Raad geen aanleiding gezien om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven en hij stelt zich achter de uitvoerige, hiervoor geciteerde, overwegingen die de rechtbank in de aangevallen uitspraak aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd. Ook de Raad is uit het geheel van de voorliggende medische gegevens niet gebleken dat de verzekeringsartsen van het Uwv bij de vaststelling van de beperkingen van appellant onvoldoende rekening hebben gehouden met zijn klachten noch dat er overigens sprake is van een onvoldoende zorgvuldig medisch onderzoek. Evenmin als in beroep heeft appellant in hoger beroep medische gegevens ingebracht die steun bieden voor het oordeel dat hij op objectieve gronden meer beperkt is dan door het Uwv is vastgesteld.

4.2. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen, ziet de Raad, evenals de rechtbank, in de voorhanden zijnde gegevens genoegzaam steun voor het oordeel dat de belasting in de aan appellant voorgehouden functies diens belastbaarheid niet te boven gaat en dat deze functies daarmee voor appellant in medisch opzicht geschikt zijn. De verdiensten in deze functies resulteren in een verlies aan verdienvermogen van minder dan 35%.

4.3. Uit hetgeen in 4.1 en 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) M.A. van Amerongen.

NK