Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT2319

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-09-2011
Datum publicatie
26-09-2011
Zaaknummer
09-1797 ZFW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdragsgerechtigde. Heffing van een Zvw-bijdrage. De regeling in artikel 28 bis van Vo. 1408/71 strekt mede ertoe benadeling te voorkomen van lidstaten die, ten aanzien van de zorgverzekering, een ingezetenenstelsel hanteren. De op basis van artikel 28 bis van Vo. 1408/71 te verstrekken zorg komt ten laste van Nederland. Op grond van artikel 33 van Vo. 1408/71 is Nederland dan ook bevoegd om premie te heffen. Het feit dat de zorgverstrekking in Zweden wordt gefinancierd met algemene middelen, zodat betrokkene als belastingplichtige daaraan heeft bijgedragen, is een intern Zweedse zaak en kan niet tot de conclusie leiden dat Cvz door een Zvw-bijdrage te heffen het recht van betrokkene om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven heeft geschonden. De Raad merkt hierbij nog op dat uit het tweede lid van artikel 33 van Vo. 1408/71 volgt dat, indien er, in de in artikel 28 bis van Vo. 1408/71 bedoelde gevallen, kort gezegd, sprake is van dubbele premieheffing of soortgelijke inhoudingen, deze in het woonland niet invorderbaar zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2011/114
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/1797 ZFW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

De erven van [Betrokkene], wonende te Zweden (hierna: appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 februari 2009, 08/2524 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene] (hierna: betrokkene)

en

het College voor Zorgverzekeringen (hierna: Cvz).

Datum uitspraak: 7 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Cvz heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.

De Raad heeft in soortgelijke zaken van enkele andere appellanten bij verzoek van 26 augustus 2009 (LJN BJ5891) twee prejudiciële vragen voorgelegd aan - thans - het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof). Bij arrest van 14 oktober 2010 (zaak C-345/09, Van Delft e.a.) heeft het Hof de gestelde prejudiciële vragen beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2011. Appellanten zijn niet verschenen. Cvz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulder en mr. M. van Dijen.

II. OVERWEGINGEN

1. Betrokkene is geboren [in] 1935 en woonde in Zweden. Hij ontving een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) en tevens een pensioen van de Stichting Pensioenfonds Boskalis N.V. Betrokkene ontving geen pensioen uit Zweden, terwijl door hem in Zweden ook geen werkzaamheden werden verricht op grond waarvan hij daar verplicht verzekerd was. Betrokkene is ingevolge de - met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden - Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) door Cvz op grond van artikel 69, eerste lid, van Zvw, bij besluit gedateerd december 2005, als verdragsgerechtigde aangemerkt, waardoor hij op grond van verordening (EEG) nr. 1408/71 (hierna: Vo. 1408/71) recht op zorg kreeg in het woonland (Zweden) ten laste van Nederland (het pensioenland). Voor dit recht op zorg is ingevolge artikel 69, tweede lid, van de Zvw, een bijdrage verschuldigd. Betrokkene heeft een E 121-formulier ontvangen om zich te laten inschrijven bij het bevoegde orgaan van zijn woonplaats. Door dit orgaan is bevestigd dat betrokkene in Zweden is ingeschreven en dat de kosten van medische zorg ten laste van Nederland komen.

2.1. In bezwaar is door betrokkene aangevoerd dat Cvz hem ten onrechte als verdragsgerechtigde heeft aangemerkt, nu hij reeds in Zweden is verzekerd tegen ziektekosten. Betrokkene is belastingplichtig in Zweden en in Zweden wordt het stelsel van sociale verzekeringen gefinancierd vanuit de belastingen. Betrokkene betaalt op deze manier twee keer voor zijn ziektekostenverzekering. In Nederland via inhouding op zijn pensioen en in Zweden via de belastingplicht. Naar de mening van betrokkene is dit strijdig met de Europese regelgeving.

2.2. Bij besluit van 19 juni 2007 is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de brief van december 2005 geen besluit bevatte. Bij uitspraak van 15 april 2008, 07/2803, heeft de rechtbank dit besluit vernietigd en Cvz opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Bij besluit van 30 mei 2008 heeft Cvz het bezwaar ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

4.1. In hoger beroep hebben betrokkene en Cvz hun eerder aangevoerde standpunten herhaald.

4.2. Betrokkene is op 19 mei 2010 overleden.

5.1. Tussen partijen is in geschil of Cvz betrokkene terecht als verdragsgerechtigde heeft aangemerkt en op die grond tot heffing van een Zvw-bijdrage is overgegaan.

5.2. Voor de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar zijn prejudiciële vraagstelling aan het Hof en naar het arrest van het Hof van 14 oktober 2010.

5.3. De Raad zal eerst ingaan op de vraag of artikel 28 bis in samenhang met artikel 33 van Vo. 1408/71 een afdoende grondslag biedt om betrokkene aan te merken als verdragsgerechtigde, zodat Cvz bevoegd is van hem een Zvw-bijdrage te heffen. In het arrest Van Delft e.a. heeft het Hof in de rechtsoverwegingen 38 en volgende overwogen dat de artikelen 28 en 28 bis van Vo. 1408/71 een „conflictregel” bevatten om in het geval van een rechthebbende op pensioen of rente die in een andere lidstaat woont dan de lidstaat die het pensioen of de rente verschuldigd is, te kunnen uitmaken welk orgaan de in dat artikel bedoelde prestaties moet verlenen en welke wetgeving toepasselijk. Op grond van artikel 28 van Vo. 1408/71 heeft de rechthebbende op een pensioen of rente verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een lidstaat, die woont in een andere lidstaat, waar hij geen recht op verstrekkingen bij ziekte heeft, voor rekening en ten laste van de staat die dat pensioen of die rente verschuldigd is recht op verlening van die verstrekkingen door het bevoegde orgaan van de woonstaat, voor zover hij op grond van de wettelijke regeling van de lidstaat die het pensioen of de rente verschuldigd is recht op die verstrekkingen zou hebben gehad indien hij op het grondgebied van die lidstaat woonde. Het Hof merkt vervolgens op dat artikel 28 bis van Vo. 1408/71 voorziet in een in wezen vergelijkbare regel wanneer een recht op verstrekkingen bij ziekte bestaat in de woonstaat, die dat recht op verstrekkingen niet afhankelijk stelt van voorwaarden inzake verzekering of arbeid. Hiermee wordt voorkomen dat lidstaten waarvan de wetgeving recht op verstrekkingen enkel op grond van ingezetenschap verleent, worden benadeeld. Nu betrokkene voldeed aan de voorwaarden neergelegd in artikel 28 bis van Vo. 1408/71, kan de conclusie geen andere zijn dan dat hij recht had op verstrekkingen in zijn woonland Zweden ten laste van Nederland, zodat, op grond van artikel 33 van Vo. 1408/71, Cvz gemachtigd is, overeenkomstig de nationale wettelijke regeling, een

Zvw-bijdrage in te houden op uitkering ingevolge de AOW van betrokkene. De Raad concludeert dat Cvz betrokkene in zoverre met recht heeft aangemerkt als verdragsgerechtigde en gemachtigd was de Zvw-bijdrage op zijn uitkering ingevolge de AOW in te houden.

5.4. De Raad verstaat de aangevoerde gronden aldus dat tevens is beoogd te stellen dat 69 Zvw strijdig is met het recht op vrij verkeer, neergelegd in artikel 21 van het VWEU, nu betrokkene in Nederland de Zvw-bijdrage dient te betalen, terwijl hij in Zweden via de belasting aan de verstrekte zorg bijdroeg, zodat hij met een dubbele heffing voor zijn beroep op zorg werd geconfronteerd. Dienaangaande verwijst de Raad naar de overwegingen 100 en 101 in het arrest van het Hof in de zaak Van Delft e.a., waarin het Hof heeft geoordeeld dat artikel 21, lid 1, VWEU een verzekerde niet kan waarborgen dat verplaatsing naar een andere lidstaat voor de sociale zekerheid, onder meer voor de prestaties bij ziekte, neutraal zal zijn. Rekening houdend met de verschillen tussen de stelsels en de wettelijke regelingen van de lidstaten op dit gebied kan een dergelijke verplaatsing, naargelang van het geval, op het gebied van de sociale bescherming voor de betrokken persoon meer of minder voordelig of onvoordelig zijn. Nationale wetgeving op het gebied van de sociale zekerheid blijft dus met artikel 21 VWEU stroken, ook indien de toepassing ervan minder gunstig is, mits zij er niet zonder meer toe leidt dat sociale bijdragen worden betaald zonder dat daar een recht op prestaties tegenover staat, aldus het Hof. Naar het oordeel van de Raad is in het onderhavige geval van laatstgenoemde situatie geen sprake. Uit het onder 5.3 overwogene blijkt immers dat de regeling in artikel 28 bis van Vo. 1408/71 mede ertoe strekt benadeling te voorkomen van lidstaten die, ten aanzien van de zorgverzekering, een ingezetenenstelsel hanteren. De op basis van artikel 28 bis van Vo. 1408/71 te verstrekken zorg komt ten laste van Nederland. Op grond van artikel 33 van Vo. 1408/71 is Nederland dan ook bevoegd om premie te heffen. Het feit dat de zorgverstrekking in Zweden wordt gefinancierd met algemene middelen, zodat betrokkene als belastingplichtige daaraan heeft bijgedragen, is een intern Zweedse zaak en kan niet tot de conclusie leiden dat Cvz door een Zvw-bijdrage te heffen het recht van betrokkene om vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven heeft geschonden. De Raad merkt hierbij nog op dat uit het tweede lid van artikel 33 van Vo. 1408/71 volgt dat, indien er, in de in artikel 28 bis van Vo. 1408/71 bedoelde gevallen, kort gezegd, sprake is van dubbele premieheffing of soortgelijke inhoudingen, deze in het woonland niet invorderbaar zijn.

5.5. Dit alles leidt tot de conclusie dat de door appellanten aangevoerde gronden de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet kunnen aantasten. De rechtbank heeft derhalve het beroep terecht ongegrond verklaard.

6. De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 september 2011.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) R.L. Venneman.

NK