Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT2296

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-09-2011
Datum publicatie
23-09-2011
Zaaknummer
11-3211 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ziekengeld. Zorgvuldig en volledig medisch onderzoek. Niet is gebleken dat de (psychische) beperkingen zijn onderschat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3211 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 april 2011, 10/3312 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Stap, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 19 juni 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 20 oktober 2007 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid minder is dan 35%. Deze weigering is met de uitspraak van de Raad, 10/6280 WIA, van heden in rechte onaantastbaar geworden.

1.2. Appellant heeft zich vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, op 6 mei 2009 ziek gemeld met psychische en lichamelijke klachten. Na onderzoek heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellant stationair is ten opzichte van de beoordeling van diens aanspraken op een WIA-uitkering en is hij per 1 juni 2010 weer geschikt voor de in dat kader geduide functies. Bij besluit van 17 mei 2010 is aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 1 juni 2010 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW), omdat hij per die datum geschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts eigen medisch onderzoek verricht, de van appellant verkregen informatie in zijn beoordeling betrokken en geconcludeerd dat er geen aanleiding is het primaire medische oordeel te wijzigen. Het door appellant gemaakt bezwaar is bij besluit van 22 juni 2010 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank zijn uit het onderzoek voldoende gegevens naar voren gekomen om tot een afgewogen oordeel over de medische toestand van appellant per 1 juni 2010 te komen. De rechtbank heeft in de stukken en het verhandelde ter zitting geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het medisch onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest of dat onvoldoende rekening is gehouden met de in het dossier aanwezige medische informatie. Appellant heeft in beroep geen nieuwe medische gegevens overgelegd die aanleiding geven om te twijfelen aan de beoordeling van het Uwv. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de rapporten, waarnaar appellant verwijst, deels tegenstrijdig zijn en ouder dan de datum in geding. Anders dan appellant heeft gesteld, is de rechtbank niet gebleken dat zijn (psychische) beperkingen zijn onderschat.

3. Appellant heeft in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak zijn gronden van het beroep herhaald. Hij heeft met name aangevoerd dat het Uwv zijn psychische beperkingen heeft onderschat.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder “zijn arbeid” in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de Wet WIA.

4.2. De Raad stelt vast dat in hoger beroep in essentie dezelfde gronden zijn aangevoerd als in beroep bij de rechtbank en dat appellant geen nieuwe medische informatie heeft overgelegd.

4.3. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen, die de rechtbank aan haar oordeel, dat de medische beperkingen van appellant per 1 juni 2010 niet zijn onderschat, ten grondslag heeft gelegd. In hetgeen in hoger beroep door appellant zonder nadere medische onderbouwing is aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding voor een andersluidend oordeel.

4.4. Hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen leidt tot het oordeel dat het Uwv op juiste gronden het ziekengeld van appellant met ingang van 1 juni 2010 heeft beëindigd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) M.A. van Amerongen.

NK