Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT2291

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-09-2011
Datum publicatie
26-09-2011
Zaaknummer
10-3327 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. De aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies boekhouder / loonadministrateur, productiemedewerker industrie en productiemedewerker textiel overschrijden de toegestane belastbaarheid niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3327 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 april 2010, 09/4447 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.J. Vaessen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord, waarbij een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige M.B. Thür-Emmerich van 21 oktober 2010 is overgelegd.

Bij brief van 29 juli 2011 heeft appellante aanvullende beroepsgronden ingediend, waarop het Uwv heeft gereageerd met een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige Thür-Emmerich van 2 augustus 2011.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Vaessen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was voorheen werkzaam als administratief medewerkster. Vanuit een wachtgeldsituatie heeft zij zich ziek gemeld wegens psychische klachten en extreme vermoeidheid. Met ingang van 21 februari 1998 is haar een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling is appellante op 2 september 2008 onderzocht door de verzekeringsarts A. van Staden. Op grond van dossierstudie en eigen medisch onderzoek heeft hij vastgesteld dat appellante als gevolg van chronisch vermoeidheidssyndroom (CVS), karakterneurose, somatisatie en endometriose medische beperkingen heeft. Vervolgens heeft er een tweede beoordeling plaatsgevonden door de verzekeringsarts E. Nieman in verband met een urenrestrictie. Deze verzekeringsarts heeft op basis van eigen onderzoek, geoordeeld dat appellante maximaal 4 uur per dag en 20 uur per week kan werken. Met inachtneming van deze beperkingen is een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld. Vervolgens is de arbeidsdeskundige L. Jansen tot de conclusie gekomen dat appellante ongeschikt is voor haar maatgevende arbeid, maar wel geschikt voor de functies van boekhouder, loonadministrateur (SBC 315040), productiemedewerker industrie (SBC 111180) en productiemedewerker textiel (SBC 272043). Op basis van deze drie functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 67,9%. Bij besluit van 9 december 2008 heeft het Uwv appellante meegedeeld dat haar WAO-uitkering met ingang van 10 februari 2009 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%.

1.3. In bezwaar heeft appellante naar voren gebracht dat zij meer beperkingen heeft dan door het Uwv zijn aangenomen. Volgens appellante is zij niet in staat om gedurende 4 uur per dag te werken, zeker niet in combinatie met de door haar gevolgde behandeling, heeft zij angstklachten, is onvoldoende aandacht besteed aan haar blaasproblemen, waardoor zij vaker dan normaal gebruik moet maken van het toilet en kan zij door haar rugklachten niet langdurig in één houding zitten. Voorts heeft appellante aangevoerd dat de haar voorgehouden functies niet passend zijn. Met betrekking tot de functie boekhouder is sprake van een bijzondere belasting ten aanzien van klantcontact (item 2.12), in de functie van productiemedewerker textiel is sprake van een overschrijding van de maximale belastbaarheid op het onderdeel frequent reiken tijdens het werk (item 4.9) en de functie van productiemedewerker textiel acht appellante niet passend omdat zij om psychische redenen niet kan werken in een drukke en/of lawaaierige omgeving (item 3.7).

1.4. Bij besluit van 14 mei 2009 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Daarbij is verwezen naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts S.M. Lustenhouwer van 17 april 2009 en de bezwaararbeidsdeskundige Thür-Emmerich van 13 mei 2009. De bezwaarverzekeringsarts heeft op basis van de gegevens verkregen tijdens de hoorzitting van 6 april 2009 en aanvullend lichamelijk onderzoek geconcludeerd dat er geen reden is om te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsartsen. Daarbij is overwogen dat de behandeling van appellante (cognitieve gedragstherapie) geen reden geeft tot een verdergaande urenbeperking, dat voor wat de angststoornis betreft in de FML afdoende beperkingen zijn aangegeven ten aanzien van de psychische belastbaarheid, dat de blaasklachten niet dermate ernstig imponeren dat zij moeten leiden tot aanpassing van de FML, dat in de FML al rekening is gehouden met een mogelijke allergie voor stof, dat er op basis van de onderzoeksbevindingen na afloop van de hoorzitting geen reden is om voor wat betreft de rugklachten verdergaande beperkingen aan te nemen en dat een beperking ten aanzien van hand- en vingervaardigheid niet aan de orde is. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in haar rapport de signaleringen bij de geduide functies toegelicht.

2.1. In beroep heeft appellante haar standpunt gehandhaafd en nadere stukken overgelegd. Dat betrof een brief van de klinisch psycholoog/psychotherapeut C. Hovius van 11 maart 2010, een uitdraai huisartsenjournaal van 4 maart 2010 en een onvolledige brief van de afdeling medische psychologie van het Groene Hart ziekenhuis te Gouda van 12 september 2008. Het Uwv heeft gereageerd op deze stukken met de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Lustenhouwer van 16 maart 2010.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. Volgens de rechtbank zijn er geen aanknopingspunten dat het medische oordeel van de verzekeringsartsen niet juist is. Wat betreft de arbeidskundige kant van de schatting heeft de rechtbank vastgesteld dat de belastbaarheid in de geduide functies past binnen de opgestelde FML en dat de bezwaararbeidsdeskundige met betrekking tot de zogenoemde signaleringen voldoende heeft gemotiveerd waarom de functies geen overschrijding van de belastbaarheid opleveren.

3. In hoger beroep heeft appellante benadrukt dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest. Met name hebben de verzekeringsartsen in hun onderzoek onvoldoende rekening gehouden met haar angstklachten. Zij heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen. Voorts heeft appellante nogmaals gewezen op haar lichamelijke klachten en haar arbeidskundige bezwaren tegen het bestreden besluit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts Van Staden heeft kennis genomen van de zich in het dossier bevindende medische informatie en appellante lichamelijk onderzocht. In verband met de op te nemen medische urenbeperking heeft een specifiek medisch onderzoek plaatsgevonden door de verzekeringsarts Nieman. In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts Lustenhouwer aanvullend onderzoek verricht. Bij elk onderzoek is aandacht besteed aan de psychische klachten van appellante. Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts met appellante besproken welke hinder zij ondervindt van haar angstklachten. De Raad is niet gebleken dat tijdens de hoorzitting geen sprake was van een veilige setting om te vertellen over de angstklachten, zoals appellante stelt. Indien appellante meende dat haar angstklachten niet goed waren besproken had zij hiervoor aandacht kunnen vragen, zo nodig met hulp van haar gemachtigde die tijdens de hoorzitting aanwezig was.

4.2. Evenals de rechtbank heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om het medisch oordeel van de verzekeringsartsen niet juist te achten. Naar het oordeel van de Raad hebben de verzekeringsartsen Van Staden en Nieman en de bezwaarverzekeringsarts Lustenhouwer op inzichtelijke wijze de in de FML verwoorde medische beperkingen onderbouwd. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor een ander oordeel. Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.

4.3. Met betrekking tot de angstklachten stelt de Raad vast dat appellante op de in geding zijnde datum niet onder behandeling was van een psycholoog of een psychiater voor haar angstklachten. Zij kreeg wel begeleiding van haar huisarts, maar de uidraai huisartsenjournaal van 4 maart 2010 biedt geen informatie over de ernst van haar angstklachten. Hetzelfde geldt voor de onvolledige brief van de afdeling Medische Psychologie van het Groene Hart Ziekenhuis te Gouda. De psycholoog C. Hovius schrijft in haar brief van 11 maart 2010 dat bij appellante ten tijde van het volgen van de cognitieve gedragstherapie, in de periode van mei 2009 tot juli 2009, sprake was van lichte angstklachten die tijdens de therapie niet op de voorgrond stonden. Appellante heeft geen objectief medische gegevens overgelegd, zoals een expertiserapport of een verklaring van haar huisarts, waaruit blijkt dat de verzekeringsartsen de ernst van haar angstklachten hebben onderschat. Onder deze omstandigheden ziet de Raad geen aanleiding om te voldoen aan het verzoek van appellante om een deskundige te benoemen.

4.4. Wat betreft de vermoeidheidsklachten, de blaasklachten, de rugklachten en de artrose deelt de Raad het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd.

4.5. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is de Raad van oordeel dat de arbeidsdeskundige Jansen in zijn rapport van 8 december 2008 en de bezwaararbeidsdeskundige Thür-Emmerich in haar rapporten van 13 mei 2009, 21 oktober 2010 en 2 augustus 2011, voldoende hebben gemotiveerd waarom de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies boekhouder / loonadministrateur, productiemedewerker industrie en productiemedewerker textiel de toegestane belastbaarheid niet overschrijden. Met betrekking tot de functie boekhouder / loonadministrateur stelt de Raad vast dat appellante ter zitting heeft verklaard dat zij haar bezwaren ten aanzien van het onderdeel klantcontact (item 2.12) niet langer handhaaft. Met betrekking tot de functie productiemedewerker industrie kan de Raad zich wat betreft het onderdeel frequent reiken tijdens het werk (item 4.9) verenigen met de toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige dat er weliswaar sprake is van een overschrijding van de maximaal toegestane frequentie, maar dat de te reiken afstand niet ver is en dit voldoende compensatie beidt voor deze overschrijding. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat de bezwaararbeidsdeskundige tot zijn standpunt is gekomen na overleg met de bezwaarverzekeringsarts. Hetgeen appellante ter zake heeft aangevoerd leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Ten aanzien van de functie productiemedewerker textiel heeft de bezwaararbeidsdeskundige er terecht op gewezen het onderdeel geluidsbelasting (item 3.7) geen signalering bevat.

4.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling van het Uwv tot schadevergoeding bestaat geen aanleiding. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het enkele feit dat het Uwv een vraag van de Raad heeft beantwoord biedt onvoldoende grond om het Uwv te veroordelen in de proceskosten die appellante heeft gemaakt. De Raad ziet hierin evenmin aanleiding om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van het door appellante betaalde griffierecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) N.S.A. El Hana.

TM