Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT2280

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-09-2011
Datum publicatie
22-09-2011
Zaaknummer
10-2047 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op een uitkering op grond van de ZW. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2047 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 25 februari 2010, 09/1055 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 21 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.C. Frissart-Kallenbach, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft bij brief van 28 juli 2010 nadere stukken ingezonden. Hierop heeft het Uwv gereageerd onder overlegging van een rapport van bezwaarverzekeringsarts J.A.M.M. Sijben van 12 augustus 2010.

Bij brief van 25 maart 2011 heeft mr. Frissart-Kallenbach zich als gemachtigde van appellant aan de behandeling van de zaak onttrokken.

Appellant heeft een brief van J. Fennema, GZ-psycholoog/psychotherapeut, van 12 mei 2011 in geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 augustus 2011. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.J. Ambrosius. Tevens was aanwezig M. Chibiane als tolk.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als magazijnmedewerker bij Kruidvat. Op14 september 2006 heeft hij zich ziek gemeld na een bedrijfsongeval met een pompwagen waarbij zijn linkervoet bekneld is geraakt. Bij besluit van 14 augustus 2008 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij per 16 september 2008 geen uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) kan krijgen, omdat hij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Dat bezwaar is bij besluit van 27 oktober 2008 niet-ontvankelijk verklaard.

1.2. Vervolgens heeft appellant zich vanuit de situatie dat hij een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet (WW) op 14 november 2008 ziek gemeld met pijnklachten aan de linkervoet. Appellant is op 4 december 2008 gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts H.R.E. de Wild, die hem per 14 november 2008 geschikt achtte voor de laatstelijk in het kader van de Wet WIA geduide functies, waaronder de functie van productiemedewerker textiel. Op basis van zijn medische rapportage heeft het Uwv bij besluit van 4 december 2008 aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van

14 november 2008 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW).

1.3. Bij besluit van 22 januari 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 december 2008, onder verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts F.J.J. van Gulick van 22 januari 2009, ongegrond verklaard. Deze bezwaarverzekeringsarts heeft op basis van dossierstudie, de door appellant in bezwaar ingebrachte medische informatie en eigen onderzoek, geconcludeerd dat er geen reden is om tot een ander medisch oordeel te komen. Volgens de bezwaarverzekeringsarts maakte appellant een weinig vitale en enigszins uitgebluste indruk, maar was geen sprake van een depressie in engere zin.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Op grond van de beschikbare medische gegevens was de rechtbank van oordeel dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van het Uwv dat appellant geschikt moet worden geacht om de in het kader van de Wet WIA geduide functies, meer in het bijzonder de functie productiemedewerker textiel, te verrichten. Naar het oordeel van de rechtbank gaven de door appellant aangedragen medische gegevens geen aanleiding om het Uwv niet te volgen. In het bijzonder volgde de rechtbank appellant niet in zijn betoog dat verdergaande psychische beperkingen moesten worden aangenomen.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij niet in staat is om één van de geduide functies uit te oefenen. Appellant heeft erop gewezen dat hij inmiddels onder behandeling is van een psychiater. Op grond van de door appellant overgelegde stukken, het rapport van de registerarbeidsdeskundige M. Wiegman van 17 november 2009, het intakerapport van psycholoog Heijnen onder supervisie van L. Wittkampf, GZ-psycholoog van 7 juni 2010, de brief van revalidatiearts Beeker en GZ-psycholoog Oostelbos van 26 april 2009 alsmede de door medisch adviseur H.J. Streutker opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst van 17 november 20099, heeft appellant geconcludeerd dat hij forser is beperkt dan is aangenomen door de (bezwaar)verzekeringsarts van het Uwv.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Zoals de Raad reeds vaker heeft beslist gaat het daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies. Gelet hierop stelt de Raad vast dat het Uwv van een juiste maatstaf arbeid is uitgegaan.

4.2. Met betrekking tot de medische beoordeling onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de verzekeringsarts De Wild en de bezwaarverzekeringsarts Van Gulick in het kader van de beoordeling van appellants aanspraken op een uitkering ingevolge de ZW op inzichtelijke wijze hebben gemotiveerd dat appellant geschikt wordt geacht voor tenminste één van de in het kader van de Wet WIA geduide functies.

4.3. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn medische situatie tussen 16 september 2008, de datum met ingang van welke hem een uitkering op grond van de Wet WIA werd geweigerd omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht, en 14 november 2008, de datum waarop hij zich vanuit de WW ziek heeft gemeld, zodanig is verslechterd dat hij niet (meer) in staat zou zijn om ten minste één van de in het kader van de Wet WIA geduide functies te kunnen verrichten. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de door appellant in hoger beroep overgelegde medische gegevens geen betrekking hebben op de datum in geding. Uit die gegevens valt veeleer af te leiden dat zijn psychische belastbaarheid pas later, mede onder invloed van psychosociale factoren, is verminderd. Bovendien heeft de registerarbeidsdeskundige Wiegman in rapport van

17 november 2009 geconcludeerd dat hij appellant in staat acht om arbeid te verrichten zoals bijvoorbeeld fysiek licht productiewerk, inpakker en assemblagemedewerker. Naar het oordeel van de Raad liggen deze functies in lijn met de door het Uwv in het kader van de Wet WIA geduide functies, zoals productiemedewerker textiel, zodat ook dit rapport geen steun biedt voor het standpunt van appellant.

4.4. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2011.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) N.S.A. El Hana.

TM