Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT1941

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-09-2011
Datum publicatie
20-09-2011
Zaaknummer
09-2458 ZFW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijdrage Zvn is terecht opgelegd. Verdragsgerechtigde. AOW is een wettelijk pensioen is als bedoeld in artikel 28 van Vo 1408/71. Door middel van een aanvullende bescherming is een adequate maatregel getroffen om de doelstelling van artikel 48 VWEU te realiseren. Aldus wordt immers het vrije verkeer van burgers binnen de EU veeleer vergemakkelijkt dan beperkt. Ten aanzien van de stelling van appellant dat de artikelen 28 en 28bis van Vo 1408/71 niet op hem van toepassing zijn omdat hij, wonend buiten Nederland, niet verzekerd is krachtens de Zvw en de AWBZ, stelt de Raad vast dat deze stelling door het Hof reeds is verworpen. Keuzerecht. Geen sprake van een mogelijke belemmering van het vrij van verkeer van unieburgers. Niet gebleken van een vorm van ongelijke behandeling van Cvz jegens appellant welke onverenigbaar zou zijn met enige bepaling van communautair en/of internationaal recht. Vo 1408/71 biedt voldoende basis voor een inhouding van een bijdrage op zijn ABP-pensioen. Het Hof heeft overwogen dat het een aangelegenheid is van de lidstaat ten laste waarvan de zorg wordt verstrekt en die op grond van artikel 33, eerste lid, van Vo 1408/71 bevoegd is in verband daarmee een bijdrage te heffen, om in zijn regelgeving vast te leggen welke inkomsten voor de berekening van de socialezekerheidspremies in aanmerking worden genomen.

Wetsverwijzingen
Zorgverzekeringswet 69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2011/1843
RZA 2011/115
RSV 2012/52
USZ 2011/290
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2458 ZFW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats], België (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 maart 2009, 07/3981 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College voor zorgverzekeringen (hierna: Cvz).

Datum uitspraak: 7 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Cvz heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft in soortgelijke zaken van enkele andere appellanten bij verzoek van

26 augustus 2009 (LJN BJ5891) twee prejudiciële vragen voorgelegd aan - thans - het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof). De Raad heeft de behandeling van het hoger beroep van appellant in afwachting van de beantwoording van deze vragen uitgesteld.

Bij arrest van 14 oktober 2010 (zaak C-345/09) heeft het Hof de gestelde prejudiciële vragen beantwoord.

Bij brieven van 15 januari 2011, 3 april 2011 en 28 april 2011 heeft appellant, onder meer naar aanleiding van voornoemd arrest, zijn standpunt nader toegelicht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2011. Appellant is daarbij in persoon verschenen. Cvz heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Dijen en mr. M. Mulder.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is geboren [in] 1943. Hij is in april 2001 vanuit België verhuisd naar het Verenigd Koninkrijk. Appellant heeft toen nog enige maanden salaris ontvangen van zijn laatste werkgever en heeft vervolgens vanaf 1 oktober 2001 een pensioen ontvangen op grond van de Regeling Flexibel Pensioen en Uittreden (FPU). In juli 2007 is appellant weer naar België teruggekeerd, alwaar hij sindsdien woont. Met ingang van

1 augustus 2008 is aan appellant een ouderdomspensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend alsmede een pensioen van het pensioenfonds ABP.

1.2. Ingevolge de - met ingang van 1 januari 2006 in werking getreden - Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) is appellant door Cvz op grond van artikel 69, eerste lid, van de Zvw als verdragsgerechtigde aangemerkt. Cvz heeft appellant er daarbij op gewezen dat hij voor het recht op zorg ingevolge artikel 69, tweede lid, van de Zvw een bijdrage verschuldigd is. Appellant heeft een E-121 formulier ontvangen om zich te laten inschrijven bij het bevoegde orgaan van zijn toenmalige woonplaats. Een zodanige inschrijving heeft niet plaatsgevonden, volgens appellant omdat de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk geweigerd hebben het formulier E-121 te accepteren. Bij besluit van 16 april 2007 heeft Cvz appellant bericht dat hij verdragsgerechtigde is en dat daarvoor een bijdrage verschuldigd is ook als geen bevestiging van een inschrijving in het woonland is ontvangen.

1.3. Appellants bezwaar tegen het besluit van 16 april 2007 is - na eerst niet-ontvankelijk te zijn verklaard - bij besluit van 22 september 2008 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - voor zover hier van belang - appellants beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep, kort samengevat, de navolgende gronden naar voren gebracht:

-Appellant is van oordeel dat hij op grond van artikel 13, tweede lid, onder f, van verordening (EEG) nr. 1408/71 (hierna: Vo 1408/71) onderworpen is aan de wetgeving van zijn woonland en dat de Nederlandse wetgeving dus niet op hem van toepassing kan zijn.

-Voorts heeft appellant aangevoerd dat de artikelen 28 en 28bis van Vo 1408/71 in zijn geval niet van toepassing zijn. Daarbij heeft hij erop gewezen dat zijn FPU-uitkering geen wettelijk pensioen is als bedoeld in deze artikelen, gelet op het bepaalde in artikel 1, onder j, van Vo 1408/71. De vermelding van de FPU-uitkering in Bijlage VI, R, onder 1f, bij Vo 1408/71 is volgens appellant in strijd met deze (definitie)bepaling. Ook de AOW kan volgens appellant niet aangemerkt worden als een zodanig pensioen, omdat het niet een arbeidsgerelateerd pensioen is.

-Appellant is verder van mening dat de artikelen 28 en 28bis van Vo 1408/71 niet van toepassing zijn, omdat hij niet voldoet aan de feitelijke toepassingsvoorwaarden voor deze artikelen, nu hij niet verzekerd is ingevolge de Zvw en dus in Nederland geen recht heeft op zorg. Daarbij heeft appellant erop gewezen dat de zorgverzekering in Nederland niet een publiekrechtelijke maar een privaatrechtelijke verzekering is. Tevens heeft hij aangevoerd dat hij op grond van de AWBZ zowel voor als vanaf 1 januari 2006 niet verzekerd is.

-Verder meent appellant - subsidiair - dat hij een keuzerecht heeft om zich al dan niet te onderwerpen aan de werkingssfeer van de artikelen 28 en 28bis van Vo 1408/71. Vo 1408/71 dwingt volgens hem niet tot inschrijving bij het orgaan van de woonstaat en als geen inschrijving heeft plaatsgevonden, zoals in zijn geval, dan is er volgens appellant geen rechtsgrond voor het heffen van een bijdrage.

-Appellant heeft verder aangevoerd dat de heffing van een bijdrage op grond van artikel 69 van de Zvw strijdig is met zijn recht op vrij verkeer, neergelegd in artikel 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU), nu hij in het Verenigd Koninkrijk via de belasting aan de verstrekte zorg heeft bijgedragen, zodat hij met een dubbele betaling voor zijn beroep op zorg is geconfronteerd.

-Voorts is volgens appellant sprake van een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van particulier verzekerden in binnen- en buitenland.

-Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat zijn ABP-pensioen niet betrokken had mogen worden bij de vaststelling van de bijdrage op grond van artikel 69 van de Zvw.

3.2. Cvz heeft de stellingen van appellant weersproken.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. Voor de toepasselijke regelgeving verwijst de Raad naar het verzoek van

26 augustus 2009 en het arrest van 14 oktober 2010, beide hiervoor genoemd in rubriek I.

4.2.1. Ten aanzien van de stelling van appellant dat hij niet valt onder de werkingssfeer van de artikel 28 of 28bis van Vo 1408/71, op grond van het bepaalde in artikel 13, tweede lid, aanhef en onder f, van Vo 1408/71, merkt de Raad het volgende op.

4.2.2. In het verzoek van 26 augustus 2009 heeft de Raad als zijn voorlopig oordeel neergelegd dat op grond van titel II, artikel 13, tweede lid, aanhef en onder f, van Vo 1408/71, op pensioengerechtigden als appellant in beginsel de socialeverzekeringswetgeving van hun woonland van toepassing is, maar dat in titel III van Vo 1408/71 bijzondere aanknopingsregels zijn opgenomen die voorzien in de toepassing van een andere wettelijke regeling ten aanzien van de aanspraak op verstrekkingen bij ziekte voor pensioen- of rentetrekkers. Dit betekent dat artikel 13, tweede lid, aanhef en onder f, van Vo 1408/71 niet in de weg staat aan het van toepassing zijn van de artikelen 28 en 28bis in titel III van Vo 1408/71 en daarmee evenmin aan de verbindendheid van artikel 69 van de Zvw. In de punten 45 tot en met 49 van het arrest van 14 oktober 2010 bevestigt het Hof dit oordeel, door in punt 49 te concluderen dat in een situatie als hier aan de orde de verwijzende rechterlijke instantie terecht de artikelen 28 en 28bis van Vo 1408/71 en niet artikel 13, tweede lid, aanhef en onder f, van Vo 1408/71 toepasselijk heeft geacht. Het betoog van appellant met betrekking tot de werkingssfeer van de artikelen 28 en 28bis van Vo 1408/71 slaagt derhalve niet.

4.3.1. In Bijlage VI, R, onder 1, f van Vo 1408/71 is bepaald dat voor de toepassing van de artikelen 27 tot en met 34 van Vo 1408/71 met pensioenen, verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen genoemd onder b (invaliditeit) respectievelijk c (ouderdom) van de verklaring van Nederland als bedoeld in artikel 5 van Vo 1408/71, worden gelijkgesteld:

“-uitkeringen die bij pensionering vóór de leeftijd van 65 jaar worden verstrekt ingevolge een pensioenregeling die de verzorging van de gewezen werknemers bij ouderdom ten doel heeft of een uitkering bij vervroegde uittreding uit het arbeidsproces ingevolge een van rijkswege of bij collectieve arbeidsovereenkomst vastgestelde regeling voor vervroegde uittreding uit het arbeidsproces voor personen van 55 jaar of ouder;”

Cvz heeft de FPU-uitkering van appellant aangemerkt als een uitkering als bedoeld in deze bepaling. Appellant heeft aangevoerd dat de vermelding van deze uitkering op Bijlage VI in strijd is met artikel 1, onder j, van Vo 1408/71.

4.3.2. De Raad stelt voorop dat de FPU-uitkering van appellant een uitkering is als bedoeld in de hiervoor weergegeven bepaling van Bijlage VI, R, onder 1, f van Vo 1408/71. Zoals door Cvz gemotiveerd is toegelicht, bestaat deze uitkering zowel uit een pensioencomponent als uit een component uitkering bij vervroegde uittreding. Het geschil spitst zich toe op de vraag of deze uitkeringen terecht zijn vermeld op deze Bijlage.

4.3.3. Ingevolge artikel 89 van Vo 1408/71 worden in Bijlage VI de bijzonderheden inzake de toepassing van de wetgevingen van bepaalde lidstaten vermeld. In dit kader heeft Nederland voor de toepassing van de artikelen 27 tot en met 34 van Vo 1408/71, onder meer, FPU-uitkeringen gelijkgesteld met pensioenen of renten bedoeld in die artikelen. Deze aanmelding als een nationale toepassingsmodaliteit moet naar het oordeel van de Raad onderscheiden worden van een aanmelding als een wettelijke regeling als bedoeld in artikel 5 van Vo 1408/71, waarvoor de definitiebepaling van artikel 1, onder j, van Vo 1408/71 zonder meer van toepassing is. De Raad vermag niet in te zien dat de gelijkstelling met een pensioen of rente van bepaalde uitkeringen op grond van Bijlage VI voor de toepassing van enkele bepalingen voor pensioen en rentetrekkers in strijd is met artikel 1, onder j, van Vo 1408/71. Daarbij acht de Raad van belang dat Bijlage VI, R, onder 1, f van Vo 1408/71 beoogt de groep personen die vervroegd uittreden uit het arbeidsproces en die nog geen wettelijk pensioen ontvangen, tijdelijk te behandelen alsof zij al een zodanig pensioen ontvangen. Aldus wordt voorkomen dat op deze personen tijdelijk - zolang zij nog geen wettelijk pensioen ontvangen - een ander wettelijke regime van toepassing is. Door middel van deze aanvullende bescherming is naar ’s Raads oordeel een adequate maatregel getroffen om de doelstelling van artikel 48 VWEU te realiseren. Aldus wordt immers het vrije verkeer van burgers binnen de EU veeleer vergemakkelijkt dan beperkt.

4.3.4. De Raad is derhalve van oordeel dat de stelling van appellant niet kan worden onderschreven. Dit geldt evenzeer voor zijn stelling dat de AOW niet een wettelijk pensioen is als bedoeld in artikel 28 van Vo 1408/71. De Raad wijst er in dit verband op dat de AOW door Nederland is aangemeld als een wettelijk pensioen als bedoeld in artikel 4 van Vo 1408/71. Voorts vermag de Raad in voornoemde bepalingen geen beperking te lezen inhoudende dat alleen arbeidsgerelateerde pensioenen aangemerkt kunnen worden als wettelijke pensioenen.

4.4. Ten aanzien van de stelling van appellant dat de artikelen 28 en 28bis van Vo 1408/71 niet op hem van toepassing zijn omdat hij, wonend buiten Nederland, niet verzekerd is krachtens de Zvw en de AWBZ, stelt de Raad vast dat deze stelling door het Hof in de punten 67 en 68 van het arrest van 14 oktober 2010 reeds is verworpen. De Raad volstaat met verwijzing naar deze overwegingen.

4.5.1. Met betrekking tot hetgeen door appellant is aangevoerd over een keuzerecht om zich al dan niet te onderwerpen aan de werkingssfeer van de artikelen 28 en 28bis van Vo 1408/71 heeft de Raad in het hiervoor genoemde verzoek aan het Hof een prejudiciële vraag voorgelegd.

4.5.2. Over deze vraag heeft het Hof in het arrest van 14 oktober 2010 overwogen dat de bepalingen van Vo 1408/71 die betrekking hebben op de vaststelling van de toepasselijke wettelijke regeling, een volledig stelsel van conflictregels vormen, welke conflictregels dwingend gelden voor de lidstaten. Het is daardoor uitgesloten dat de sociaal verzekerden op wie die regels van toepassing zijn, de gevolgen ervan teniet kunnen doen doordat zij kunnen kiezen zich eraan te onttrekken door bijvoorbeeld na te laten zich overeenkomstig artikel 29 van Vo 574/72 in te schrijven bij het bevoegde orgaan van de woonstaat. Deze inschrijving is immers slechts een administratieve formaliteit die moet worden vervuld om te verzekeren dat de verstrekkingen in de woonstaat krachtens de artikelen 28 en 28bis van Vo 1408/71 inderdaad worden toegekend. Eenzelfde betekenis moet volgens het Hof worden toegekend aan de punten 40, 47 en 53 van het arrest Van der Duin (zaak C-156/01). Bijgevolg komt het Hof tot het oordeel dat de artikelen 28 en 28bis van de Vo 1408/71 dwingend zijn voor de sociaal verzekerden die onder de werkingssfeer van deze bepalingen vallen. Het Hof overweegt voorts dat het verzuim om zich in te schrijven niet tot gevolg kan hebben dat deze sociaal verzekerden geen bijdragen hoeven te betalen in de lidstaat die hun pensioen of rente verschuldigd is, daar zij hoe dan ook ten laste blijven van deze laatste staat doordat zij zich niet aan de regeling van genoemde verordening kunnen onttrekken. De omstandigheid dat de verzekerde die zich niet inschrijft bij het bevoegde orgaan van de woonstaat en daardoor de betrokken verstrekkingen in die staat niet effectief kan ontvangen en dus geen kosten meebrengt die de pensioenlidstaat aan zijn woonstaat zou moeten vergoeden, doet volgens het Hof niet af aan het bestaan van het recht op die verstrekkingen en de daar tegenover staande verplichting aan de bevoegde organen van de lidstaat op grond van de wetgeving waarvan dat recht bestaat, de bijdragen te betalen die verschuldigd zijn als tegenprestatie voor het risico dat die staat draagt ingevolge de bepalingen van Vo 1408/71. Een dergelijke verplichting tot bijdragebetaling is (ook) volgens het Hof inherent aan het door de nationale socialezekerheidsstelstels toegepaste solidariteitsbeginsel.

4.5.3. Op grond van deze overwegingen moet geconcludeerd worden dat het betoog van appellant met betrekking tot het keuzerecht niet slaagt.

4.6.1. Ook met betrekking tot de stellingen van appellant die verband houden met de mogelijke belemmering van het vrij van verkeer van unieburgers heeft de Raad een prejudiciële vraag aan het Hof voorgelegd.

4.6.2. Daarover heeft het Hof allereerst overwogen dat de uitlegging van Vo 1408/71 in het antwoord op de eerste prejudiciële vraag, is gegeven onverminderd de oplossing die zou voortvloeien uit de eventuele toepasselijkheid van bepalingen van primair recht. In dat verband heeft het Hof vervolgens vastgesteld dat in de aan het Hof voorgelegde gedingen sprake is van personen die vallen onder artikel 21 van het VWEU, op grond waarvan iedere EU-burger het recht heeft vrij op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven, onder voorbehoud van de beperkingen en voorwaarden die bij het VWEU en de bepalingen ter uitvoering daarvan zijn vastgesteld. Onder verwijzing naar zijn vaste rechtspraak (onder andere het arrest Von Chamier-Glisczinski, zaak C-208/07) heeft het Hof verder overwogen dat een onderdaan van een lidstaat van de EU die zijn rechten op vrij verkeer wil uitoefenen, hierin niet mag worden ontmoedigd doordat zijn verblijf in een andere lidstaat wordt belemmerd door een regeling van zijn lidstaat van herkomst die hem benadeelt wegens het enkele feit dat hij deze rechten heeft uitgeoefend. Artikel 21 van het VWEU kan een verzekerde echter niet waarborgen dat verplaatsing naar een andere lidstaat voor de sociale zekerheid, onder meer voor prestaties bij ziekte, neutraal zal zijn. Rekening houdend met de verschillen tussen de stelsels en de wettelijke regelingen van de lidstaten op dit gebied kan een dergelijke verplaatsing, naargelang van het geval, op het gebied van de sociale bescherming voor de betrokken persoon meer of minder voordelig of onvoordelig zijn. De nationale wetgeving mag er echter niet zonder meer toe leiden dat sociale bijdragen worden betaald zonder dat daar een recht op prestaties tegenover staat. Hiervan is volgens het Hof geen sprake, omdat tegenover de bijdragebetaling in Nederland een recht wordt gegeven op verlening van verstrekkingen in de woonstaat van de rechthebbenden ten laste van Nederland. Het Hof heeft voorts vastgesteld dat de aan de orde zijnde nationale wetgeving, overeenkomstig de regels van Vo 1408/71 waarin is bepaald dat rechthebbenden op pensioen of rente die geen ingezetenen zijn, recht hebben op verstrekkingen bij ziekte in het kader van de wetgeving van hun woonstaat, het vrije verkeer van EU-burgers veeleer vergemakkelijkt dan beperkt. Deze rechthebbenden hebben immers in hun woonstaat toegang tot zorg op gelijke voet als personen die bij het socialezekerheidsstelsel van die lidstaat zijn aangesloten. Dit geldt temeer, nu de bijdrage wordt berekend aan de hand van een woonlandfactor. Een verschil in niveau van bescherming tegen ziektekosten tussen de nationale socialezekerheidsstelsels van de lidstaten is, aldus het Hof, een gebrek aan harmonisatie en kan niet worden beschouwd als een onder artikel 21 van het VWEU vallende beperking.

4.6.3. Wat betreft de door appellant gesignaleerde dubbele betaling voor de kosten voor zorg, stelt de Raad vast dat uit punt 101 van het arrest van het Hof volgt dat een nationale wetgeving op het gebied van de sociale zekerheid als de Zvw blijft stroken met artikel 21 VWEU, mits zij er niet zonder meer toe leidt dat sociale bijdragen worden betaald zonder dat daar een recht op prestaties tegenover staat. Naar het oordeel van de Raad is ook in het onderhavige geval van laatstgenoemde situatie geen sprake. Artikel 28bis van Vo 1408/71 strekt er immers mede toe benadeling te voorkomen van lidstaten die, ten aanzien van de zorgverzekering, een ingezetenenstelsel hanteren. De op basis van artikel 28 bis van Vo. 1408/71 in het Verenigd Koninkrijk aan appellant verstrekte zorg kwam daarom ten laste van Nederland. Op grond van artikel 33 van Vo. 1408/71 was Nederland vervolgens bevoegd om premie te heffen. Het feit dat de zorgverstrekking in het Verenigd Koninkrijk wordt gefinancierd via de algemene middelen, zodat appellant als belastingplichtige daaraan heeft bijgedragen, is een interne zaak van het Verenigd Koninkrijk, die niet tot de conclusie kan leiden dat het Cvz door een bijdrage te heffen het recht van appellant om vrij op het grondgebied van de Lidstaten te reizen en te verblijven schendt. Daarbij merkt de Raad nog op dat uit artikel 33, tweede lid, van Vo 1408/71 voortvloeit dat voor zover er sprake is van dubbele premieheffing of soortgelijke inhoudingen, deze in het woonland niet invorderbaar zijn.

4.7.1. Het Hof heeft aan het antwoord op de hiervoor onder 4.6.1 genoemde vraag nog toegevoegd dat een beperking van het vrije verkeer van EU-burgers in de zin van artikel 21, eerste lid, van het VWEU wel zou kunnen zijn gelegen in een ongerechtvaardigde verschillende behandeling tussen ingezetenen en niet-ingezetenen met betrekking tot de eindiging van rechtswege per 1 januari 2006 ingevolge artikel 2.5.2 van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet (hierna: IZVW) van de particuliere ziektekostenverzekeringen die voor de inwerkingtreding van de Zvw met in Nederland gevestigde verzekeringsmaatschappijen waren gesloten en de gevolgen daarvan voor het behoud van de globale dekking tegen ziektekosten. Het gevolg daarvan zou immers kunnen zijn dat rechthebbenden op pensioen of rente verschuldigd krachtens de Nederlandse wetgeving worden ontmoedigd hun woonplaats in een andere lidstaat dan Nederland aan te houden. Het Hof heeft in dat verband verder overwogen dat de nationale rechter dient te onderzoeken of sprake is van een dergelijke beperking in de zin van artikel 21 van het VWEU waarbij de rechter in het bijzonder rekening dient te houden met enkele door het Hof genoemde relevante elementen.

4.7.2. Uit de punten 109 tot en met 129 van het arrest van 14 oktober 2010, meer in het bijzonder de punten 109, 110 en 128, vloeit voort dat het door het Hof aan de nationale rechter opgedragen onderzoek uitsluitend betrekking heeft op het overgangsrecht op grond waarvan bij de invoering van de Zvw de Nederlandse particuliere ziektekostenverzekeringen (geheel of gedeeltelijk) zijn beëindigd. Achtergrond daarvan is dat de Nederlandse wetgever geen zeggenschap heeft en kan hebben ten aanzien van niet in Nederland gevestigde verzekeringsmaatschappijen. Nu appellant niet heeft aangetoond dat hij op 31 december 2005 een particuliere ziektekostenverzekering had bij een in Nederland gevestigde verzekeringsmaatschappij, is een mogelijk verschil in behandeling als door het Hof bedoeld in de situatie van appellant niet aan de orde. Dit betekent dat ook het betoog van appellant met betrekking tot de ongelijke behandeling in het kader van het vrije verkeer van EU-burgers niet slaagt.

4.7.3. Ook overigens is de Raad in het onderhavige geding niet gebleken van een vorm van ongelijke behandeling van Cvz jegens appellant welke onverenigbaar zou zijn met enige bepaling van communautair en/of internationaal recht.

4.8. De stelling van appellant, dat Vo 1408/71 geen basis biedt voor een inhouding van een bijdrage op zijn ABP-pensioen, kan de Raad ook niet onderschrijven. De Raad verwijst in dit verband naar het arrest Nikula van het Hof van 18 juli 2006, zaak C-50/05. In punt 24 en volgende van dit arrest overweegt het Hof dat het een aangelegenheid is van de lidstaat ten laste waarvan de zorg wordt verstrekt en die op grond van artikel 33, eerste lid, van Vo 1408/71 bevoegd is in verband daarmee een bijdrage te heffen, om in zijn regelgeving vast te leggen welke inkomsten voor de berekening van de socialezekerheidspremies in aanmerking worden genomen. In het in genoemd arrest aan de orde zijnde geval stond het de betrokken lidstaat vrij het gehele inkomen van betrokkene voor de premieheffing in aanmerking te nemen, ook al waren de inkomsten voor een deel afkomstig uit een andere lidstaat. De Raad leidt hieruit af dat het de Nederlandse staat heeft vrijgestaan in zijn regelgeving neer te leggen welke inkomsten voor de Zvw-premie in aanmerking worden genomen.

4.9. Hetgeen door appellant voorts nog is aangevoerd behoeft naar het oordeel van de Raad, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen nadere bespreking.

4.10. Gezien het onder 4 tot en met 4.9 overwogene komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 september 2011.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) R.L. Venneman.

IvR