Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT1788

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-09-2011
Datum publicatie
20-09-2011
Zaaknummer
10-6746 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schorsing WAO-uitkering. Voldoende aannemelijk geworden dat appellant gedurende een periode dat hij een WAO-uitkering heeft ontvangen, werkzaamheden heeft verricht en inkomsten heeft genoten. Schending inlichtingenverplichting. Het Uwv was met toepassing van het bepaalde in artikel 50, derde lid, aanhef en onder c, van de WAO gehouden de uitkering te schorsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6746 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (Kaapverdië) (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 november 2010, 09/1010 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 16 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 augustus 2011, waar appellant niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

II. OVERWEGINGEN

1. Met ingang van 1 februari 1987 is appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

2. Bij besluit van 1 oktober 2008 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat de betaling van de uitkering wordt geschorst. Het door appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 9 februari 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3. Het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep is door de rechtbank ongegrond verklaard.

4. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat met de resultaten uit het door het Uwv verrichte onderzoek, zoals neergelegd in de rapportage ”Fraude preventie en opsporing/specialistische ondersteuning (interventieteam Buitenland)” van 23 november 2006 en het aanvullende rapport van 14 juli 2008, voldoende aannemelijk is geworden dat appellant gedurende een periode dat hij een WAO-uitkering heeft ontvangen, werkzaamheden heeft verricht en inkomsten heeft genoten. Nu appellant van deze werkzaamheden en inkomsten geen melding heeft gemaakt, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellant in strijd heeft gehandeld met de in artikel 80, eerste lid, van de WAO, neergelegde inlichtingenplicht, op grond waarvan het Uwv met toepassing van het bepaalde in artikel 50, derde lid, aanhef en onder c, van de WAO gehouden was de uitkering te schorsen. Het hoger beroep, waarin geen wezenlijke andere gezichtspunten naar voren zijn gebracht als eerder in de procedure, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2011.

(get.) J.P.M. Zeijen.

(get.) H.L. Schoor.

KR