Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT1757

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-09-2011
Datum publicatie
16-09-2011
Zaaknummer
10-4726 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand en terugvordering voorschot. Adresloze. Niet kon worden gecontroleerd of appellant in de afgesproken periode feitelijk op het door hem opgegeven adres verbleef.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/222
RSV 2011/321
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4726 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 juli 2010, 10/1099 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 13 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.L.D. Thomas, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2011. Voor appellant is verschenen mr. Thomas. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kisoentewari, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 20 oktober 2009, na zijn terugkomst uit het buitenland, een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) en van het College een voorschot ontvangen van € 200,--. Hij heeft op het aanvraagformulier het adres van zijn ex-partner vermeld als postadres, aangegeven dat hij bij verschillende vrienden logeert en verzocht om een briefadres. Appellant is aangemerkt als adresloze en zijn aanvraag is doorgeleid naar de Afdeling Bijzondere Doelgroepen van de Dienst Werk en Inkomen Amsterdam (hierna: DWI). Op 28 oktober 2009 heeft appellant bij de DWI aangegeven dat hij twee weken kan slapen op het adres [adres 1] te [naam gemeente] en is, blijkens de door appellant ondertekende “afspraakbevestiging locatiebezoek” van dezelfde datum, het volgende afgesproken: “Gedurende de periode van vijf werkdagen na dagtekening van deze bevestiging zal klant tot 11.00 uur op bovenstaande locatie aanwezig zijn ter controle van zijn verblijfsituatie. Er zijn geen omstandigheden waardoor klant niet kan voldoen aan deze afspraak. Klant verklaart medewerking te zullen verlenen aan het locatiebezoek en zal onverwijld uit eigen beweging mededeling doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Indien klant deze afspraak niet nakomt of eerder genoemde inlichtingen niet verstrekt zal op grond van artikel 17 lid 1 en lid 2 van de Wet werk en bijstand de bijstandsaanvraag ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan worden afgewezen.” Op 2 november 2009 omstreeks 07.48 uur en op 4 november 2009 omstreeks 09.00 uur hebben twee handhavingsspecialisten een bezoek gebracht aan het opgegeven adres, maar op hun hoorbaar aanbellen werd niet gereageerd. Na raadpleging van het registratiesysteem, waaruit geen melding over een wijziging van de verblijfslocatie bleek, heeft het College de aanvraag bij besluit van 23 november 2009 afgewezen. Diezelfde dag heeft het College het verzoek om toestemming voor het gebruik van een briefadres afgewezen en het verstrekte voorschot van € 200,-- van appellant teruggevorderd.

1.2. Bij besluit van 22 februari 2010 heeft het College het bezwaar tegen de afwijzing van een briefadres niet-ontvankelijk verklaard en de bezwaren tegen de afwijzing van de aanvraag om bijstand en de terugvordering van het voorschot ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat met appellant de afspraak was gemaakt dat hij in de week van 29 oktober 2009 tot en met 4 november 2009 op het opgegeven adres moest zijn, omdat dan met een locatiebezoek zijn verblijfplaats zou worden gecontroleerd. Uit het feit dat appellant niet reageerde op het hoorbaar aanbellen heeft het College geconcludeerd dat appellant daar niet verbleef en derhalve in strijd heeft gehandeld met de ingevolge artikel 17, eerste en tweede lid, van de WWB op hem rustende inlichtingen- en medewerkingsverplichting, als gevolg waarvan zijn recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Aan de door appellant ingebrachte verklaring van de bewoonster van de [adres 1] dat zij en appellant in de ochtend van 2 en 4 november 2009 wel aanwezig waren heeft het College geen doorslaggevende betekenis gehecht, omdat daaruit niet blijkt waarom appellant, als hij wel in de woning aanwezig was, niet heeft gereageerd op het hoorbaar aanbellen. Over de afwijzing van het briefadres heeft het College overwogen dat het toekennen van een briefadres samenhangt met de toekenning van bijstand en dus niet is gericht op rechtsgevolg.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 februari 2010 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Naar aanleiding van de stelling van appellant dat het College voor hem, als adresloze, ter beoordeling van zijn recht op bijstand had kunnen volstaan met de vaststelling dat hij in de gemeente [naam gemeente] verbleef, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 10 april 2007, LJN BA2870. Daarin is overwogen dat controleerbare gegevens over de feitelijke woon- en verblijfplaats van essentieel belang zijn voor de beantwoording van de vraag of iemand recht heeft op bijstand en dat ook van een adresloze kan worden gevergd dat hij controleerbare gegevens verstrekt over zijn feitelijke verblijfplaats.

4.2. De Raad onderschrijft de redenering van appellant dat uit het feit dat ondanks hoorbaar aanbellen niet wordt opengedaan, zonder nader onderzoek niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat de betreffende persoon niet feitelijk op dat adres verblijft en derhalve de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Hij verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 7 december 2010, LJN BO6665. In de situatie van appellant, die als adresloze slechts korte tijd op het opgegeven adres zou verblijven, met wie ter verificatie van zijn feitelijke verblijfplaats de hiervoor onder 1.1 vermelde afspraak is gemaakt en die binnen de afgesproken periode tot twee maal toe ondanks hoorbaar aanbellen niet heeft open gedaan, ziet de Raad echter geen aanleiding voor het oordeel dat het College nader onderzoek had moeten instellen. Gelet op het bepaalde in artikel 53a, eerste lid, van de WWB kon het College de wijze en het tijdstip waarop de verificatie van de verblijfsgegevens van appellant zou plaatsvinden bepalen op de wijze zoals neergelegd in de op 28 oktober 2009 gemaakte afspraak. Nu appellant deze afspraak niet is nagekomen heeft hij gehandeld in strijd met de ingevolge artikel 17, eerste en tweede lid, van de WWB op hem rustende inlichtingen- en medewerkingsverplichting, waardoor zijn feitelijke verblijfssituatie niet was vast te stellen. Als gevolg daarvan kon zijn recht op bijstand evenmin worden vastgesteld en is zijn aanvraag, overeenkomstig de gemaakte afspraak, afgewezen.

4.3. De enkele verklaring van de hoofdbewoonster dat zij en appellant in de ochtend van 2 en 4 november 2009 wel aanwezig waren in de woning kan aan het vorenstaande niet afdoen. Ook de stelling van appellant dat hij de DWI heeft bezocht om te vragen naar de reden voor het uitblijven van de huisbezoeken kan de Raad niet tot een ander oordeel brengen. Nog daargelaten dat niet is komen vast te staan dat appellant de DWI inderdaad heeft bezocht, brengt dit geen verandering in het feit dat niet kon worden gecontroleerd of appellant in de afgesproken periode feitelijk op het door hem opgegeven adres verbleef. Anders dan appellant meent, is ook het feit dat het College aan hem naar aanleiding van een nieuwe aanvraag met ingang van 1 december 2009 wel bijstand heeft toegekend geen reden voor toekenning van bijstand met ingang van 20 oktober 2009. Op 1 december 2009 verbleef appellant immers in het Instroomhuis, waar wordt gecontroleerd of men daar ook daadwerkelijk verblijft. Ook in hetgeen namens appellant overigens is aangevoerd ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen.

4.4. Nu appellant ten aanzien van de intrekking van het briefadres en de terugvordering van het voorschot geen zelfstandige beroepsgronden heeft aangevoerd, zal ook de Raad daar niet nader op ingaan. De conclusie is dat het hoger beroep niet slaagt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.N.A. Bootsma en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 september 2011.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) E. Heemsbergen.

HD