Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT1747

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-09-2011
Datum publicatie
16-09-2011
Zaaknummer
09-5489 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt. Ziekmelding vanuit WW-uitkering. Weigering ZW-uitkering. Zorgvuldig medische onderzoek. Niet meer ongeschikt voor zijn arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5489 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 26 augustus 2009, 09/829 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 14 september 2011

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.I. Piternella, advocaat te Dongen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de zaken met nummer 10/1597 WIA en 09/5490 WAO, plaatsgevonden op 22 juni 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Piternella. Namens het Uwv is verschenen

drs. M.P.W.M. Wiertz. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In de zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit op bezwaar van 12 maart 2009 heeft het Uwv vastgesteld dat met ingang van 7 januari 2008 voor appellant geen recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op minder dan 35%.

1.2. Op 5 mei 2008 heeft appellant zich, vanuit de situatie dat hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld wegens een toename van zijn klachten tengevolge van de ziekte van Crohn.

1.3. Bij besluit van 21 oktober 2008 heeft het Uwv appellant met ingang van 5 mei 2008 niet in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW). Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.4. Bij besluit van 12 januari 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 oktober 2008 ongegrond verklaard en dit besluit gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en de getrokken conclusie kan dragen dat appellant met ingang van 5 mei 2008 geen recht heeft op ziekengeld. Daarbij is de rechtbank ervan uitgegaan dat voor appellant als maatstaf voor ‘zijn arbeid’ in de zin van artikel 19 van de ZW niet de laatstelijk verrichte arbeid geldt, maar gangbare arbeid zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak op een WAO- (lees: Wet WIA) uitkering. De rechtbank acht het medisch onderzoek zorgvuldig nu appellant zowel door de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts is onderzocht tijdens een spreekuur. Tevens heeft de bezwaarverzekeringsarts de door appellant overgelegde informatie van de huisarts bij zijn overweging betrokken, evenals de door hem zelf ingewonnen informatie van de huisarts. Deze informatie heeft de rechtbank geen aanleiding gegeven tot twijfel aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant, aangezien daaruit niet volgt dat de beperkingen van appellant zijn toegenomen ten opzichte van de in het kader van de Wet WIA-beoordeling opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst van 26 februari 2008. Gelet hierop heeft het Uwv appellant terecht met ingang van 5 mei 2008 in staat geacht tot het verrichten van ten minste één van de in het kader van de Wet WIA-beoordeling geduide functies.

3. In hoger beroep heeft appellant de in beroep aangevoerde gronden herhaald. Deze komen erop neer dat het Uwv de belastbaarheid van appellant heeft overschat. Dientengevolge acht appellant zich niet in staat tot het verrichten van ten minste één van de geduide functies.

4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.

4.3. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de Wet WIA.

4.4. De Raad heeft geen aanleiding gezien om met betrekking tot het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven en stelt zich achter de overwegingen die de rechtbank in de aangevallen uitspraak aan dat oordeel ter grondslag heeft gelegd. De Raad is van oordeel dat de rechtbank genoegzaam is ingegaan op de gronden van appellant. In hoger beroep zijn geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten naar voren gebracht noch zijn nadere medische gegevens overgelegd. Dat betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en H. Bolt en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 september 2011.

(get.) H.G. Rottier.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM