Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT1743

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-09-2011
Datum publicatie
16-09-2011
Zaaknummer
09-4642 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante heeft in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen duidelijkheid gegeven over haar woonsituatie in de periode van 30 november 2006 tot 1 mei 2007. Als gevolg daarvan kan haar recht op bijstand over deze periode niet worden vastgesteld en was het Dagelijks Bestuur bevoegd om de bijstand in te trekken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand van haar terug te vorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4642 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats 1] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 13 augustus 2009, 09/48 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Steenwijkerland&Westerveld (hierna: Dagelijks Bestuur)

Datum uitspraak: 13 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Dagelijks Bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. R. van Asperen, kantoorgenoot van mr. Van Dijk. Het Dagelijks Bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Everts en E.L. Bos, beiden werkzaam bij de Intergemeentelijke Sociale Dienst Steenwijkerland&Westerveld.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving vanaf 17 oktober 2003 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Naar aanleiding van telefonische meldingen in maart 2007, dat appellante sinds februari 2005 niet woont op het door haar opgegeven adres [adres 2] te [woonplaats 2], maar op het adres [adres 1] te [woonplaats 1] samenwoont met A.J. [T.] (hierna: [T.]), de vader van haar derde kind, geboren [in] 2006, heeft het Opsporingssamenwerkingsverband Sociale Recherche Zuid-Drenthe & Noordwest-Overijssel (hierna: sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, is getracht een huisbezoek af te leggen op het adres [adres 2] te [woonplaats 2], zijn appellante en [T.] verhoord, zijn diverse getuigen gehoord en is een onderzoek ingesteld naar het betalingsverkeer van de bankrekening van appellante in de periode van 25 januari 2005 tot 20 maart 2007. Naar aanleiding van de resultaten van dit onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 24 januari 2008, heeft het Dagelijks Bestuur bij besluit van 7 april 2008 de bijstand van appellante over de periode van 1 februari 2005 tot 1 mei 2007 ingetrokken en zijn de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 30.809,09 van haar teruggevorderd.

1.2. Bij besluit van 9 december 2008 heeft het Dagelijks Bestuur het bezwaar tegen het besluit van 7 april 2008 gegrond verklaard, dat besluit herroepen, en besloten om de bijstand over de periode van 30 november 2006 tot 1 mei 2007 in te trekken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 6.298,60 van appellante terug te vorderen. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat uit het onderzoek van de sociale recherche is gebleken dat appellante haar woning in [woonplaats 2] kort na de geboorte van haar jongste kind [in] 2006 heeft verlaten en, in strijd met de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting, het Dagelijks Bestuur niet of niet behoorlijk op de hoogte heeft gebracht waar zij in deze periode verbleef, waardoor het recht op bijstand niet langer kan worden vastgesteld. De begindatum van de intrekking is gesteld op 30 november 2006 omdat appellante, na een overgangsperiode, vanaf dat moment geen betalingen meer heeft verricht in en rond [woonplaats 2].

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 december 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Naar aanleiding van de stelling van appellante dat zij pas op 1 mei 2007 naar de boerderij van de ouders van [T.] in [woonplaats 1] is verhuisd en tot die tijd haar woning in de [adres 2] te [woonplaats 2] bewoonde, overweegt de Raad als volgt. Bij verschillende bezoeken van de sociale recherche aan de woning van appellante in april 2007 gaf de woning een totaal onbewoonde indruk en werd niet opengedaan. Vier buurtbewoners hebben in juli 2007 tegenover de sociale recherche verklaard dat appellante haar woning in ieder geval kort na de geboorte van haar jongste kind heeft verlaten en dat de woning sindsdien niet meer werd bewoond. [A.B.] heeft verklaard dat hij van 28 december 2006 tot 15 april 2007 aan [T.] een zomerwoning in [S.] heeft verhuurd, waar [T.] met een vrouw en drie kinderen heeft gewoond tot aan hun verhuizing naar de boerderij van zijn ouders in [woonplaats 1]. Op 31 mei 2007 heeft appellante verklaard dat zij al in de zomervakantie van 2006 met [T.] zou gaan samenwonen in de woning van zijn ouders, maar dat dit op het laatste moment is uitgesteld. Haar kinderen waren toen al aangemeld op scholen in de buurt van de boerderij in [A en O.] en zijn daar vanaf september 2006 ook naar toegegaan. Appellante heeft benadrukt dat zij wel in [woonplaats 2] bleef wonen, maar dat zij werd gestalkt door een ex-partner waardoor zij feitelijk nergens en overal verbleef, bij vrienden en vriendinnen en ook wel op bezoek ging bij [T.] in [S.]. [T.] heeft op 4 december 2007 tegenover de sociale recherche verklaard dat hij op 1 maart 2007 met appellante is gaan samenwonen. Blijkens het onderzoek van de sociale recherche naar het betalingsverkeer op de bankrekening van appellante heeft zij na juli 2006 de dagelijkse betalingen steeds meer in en rond Aalden/[woonplaats 1] gedaan en zijn er vanaf 30 november 2006 helemaal geen betalingen meer verricht in en rond [woonplaats 2]. Op grond van het vooraanstaande komt de Raad met het Dagelijks Bestuur en de rechtbank tot het oordeel dat de conclusie gerechtvaardigd is dat appellante in ieder geval vanaf 30 november 2006 niet meer op het door haar opgegeven adres in [woonplaats 2] woonde.

4.2. De door appellante in hoger beroep overgelegde verklaringen van drie vriendinnen kunnen de Raad niet tot een ander oordeel brengen. In de verklaring van [C.] zijn geen data vermeld, en uit de verklaringen van [D.] en [E.] blijkt niet waarop hun stelling is gebaseerd dat appellante pas “ergens in maart 2007” en “even later” (dan maart 2007) van [woonplaats 2] naar de boerderij in [woonplaats 1] is verhuisd.

4.3. Ook hetgeen appellante verder naar voren heeft gebracht kan de Raad niet tot een ander oordeel brengen. Met het gegeven dat de post tot 1 mei 2007 op het adres in [woonplaats 2] werd besteld is immers niet gezegd dat appellante ook feitelijk in die woning verbleef. Dit volgt evenmin uit haar stelling dat het onkruid in de tuin ook al kniehoog stond voordat er twijfels ontstonden over het bewonen van de woning, noch uit haar verklaring dat zij boodschappen deed in de buurt van de scholen van de kinderen waardoor pinbetalingen in en rond [woonplaats 2] ontbreken.

4.4. Appellante heeft (onder meer) drie van de vier buurtbewoners die door de sociale recherche zijn gehoord opgeroepen om als getuige te verschijnen ter zitting van de Raad op 21 juni 2011. Nadat B. [F.] (hierna: [F.]), die als enige van de door appellante opgeroepen getuigen bij de Raad aanwezig was, tegenover de bode te kennen had gegeven alleen een verklaring te willen afleggen als de Raad hem dat zou opdragen, heeft appellante de Raad verzocht om deze getuige alsnog te willen oproepen. Uit het bepaalde in de artikelen 8:60 en 8:63 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), die op grond van artikel 21 van de Beroepswet van overeenkomstige toepassing zijn op het hoger beroep, vloeit voort dat een door de Raad opgeroepen getuige wel, maar een door een partij opgeroepen getuige niet verplicht is om aan de oproeping gevolg te geven. Ingevolge artikel 8:63, derde lid, van de Awb is de Raad bevoegd een door een partij op geroepen, maar niet verschenen, getuige op te roepen. De Raad zag en ziet geen aanleiding om [F.] of een andere door appellante opgeroepen getuige te horen, nu de buurtbewoners over de afwezigheid van appellante in haar woning te [woonplaats 2] in de in geding zijnde periode eensluidende verklaringen hebben afgelegd.

4.5. Uit het onder 4.1 tot en met 4.3 overwogene volgt dat appellante in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting geen duidelijkheid heeft gegeven over haar woonsituatie in de periode van 30 november 2006 tot 1 mei 2007. Als gevolg daarvan kan haar recht op bijstand over deze periode niet worden vastgesteld en was het Dagelijks Bestuur bevoegd om de bijstand in te trekken en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand van haar terug te vorderen. Tegen de wijze waarop van deze bevoegdheid gebruik is gemaakt heeft appellante geen gronden aangevoerd.

4.6. De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

5. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.N.A. Bootsma en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 september 2011.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) E. Heemsbergen.