Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BT1738

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-09-2011
Datum publicatie
16-09-2011
Zaaknummer
11-4654 AWBZ-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van CIZ van 7 april 2011 is verzoeker in verband met de bij hem vastgestelde beperkingen geïndiceerd is voor Zorgzwaartepakket GGZ05C, gedurende 7 etmalen per week. Verzoeker verblijft niet rechtmatig in Nederland is tot ongewenst vreemdeling verklaard. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat het onthouden van de effectuering van het geïndiceerde zorgzwaartepakket voor verzoeker levensbedreigend is. In redelijkheid kan niet worden volgehouden dat in de gegeven omstandigheden de weigering van de geïndiceerde zorg blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die zorg en de particuliere belangen van verzoeker om die zorg te ontvangen, hetgeen in het onderhavige geval meebrengt dat op het Zorgkantoor een positieve verplichting rust om te voorzien in de voor verzoeker noodzakelijk geachte zorg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2011/336
RZA 2011/125 met annotatie van mr. J. Hallie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4654 AWBZ-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van:

[verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker)

in verband met het hoger beroep van:

verzoeker

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 29 juli 2011, 11/1156 en 11/1157 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

Zilveren Kruis Achmea Zorgverzekeringen N.V., gevestigd te Rotterdam, (hierna: Zorgkantoor)

Datum uitspraak: 9 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak en tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2011. Voor verzoeker is verschenen mr. Fischer. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Punt en mr. L. Ganner.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2. Verzoeker, geboren in 1971, heeft de Somalische nationaliteit en is in 1992 vanuit Somalië naar Nederland gekomen.

1.3. Bij besluit van de Minister van Justitie (de Minister) van 4 augustus 2000 is verzoeker ongewenst vreemdeling verklaard. Bij besluit van 12 maart 2001 zijn de bezwaren van verzoeker tegen het besluit van 4 augustus 2000 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 30 november 2001 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage het beroep van verzoeker tegen het besluit van 12 maart 2001 ongegrond verklaard. Daarmee is de ongewenstverklaring van verzoeker onherroepelijk geworden.

1.4. Op 7 augustus 2008 heeft verzoeker verzocht om opheffing van de ongewenstverklaring, welk verzoek de Minister bij besluit van 4 september 2009 heeft afgewezen. Dit besluit heeft tevens tot gevolg dat de ingevolge artikel 45, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet bedoelde verstrekkingen worden beëindigd. Bij besluit van 22 juli 2010 zijn de bezwaren van verzoeker tegen het besluit van 4 september 2009 ongegrond verklaard. De Minister heeft daarbij - voor zover van belang - overwogen dat gelet op het advies van het Bureau Medische Advisering van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (BMA) van 14 april 2010 sprake is van een schending van artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) op medische gronden, indien verzoeker terug zou moeten keren naar Somalië. Verzoeker is niet reisvaardig en de behandelmogelijkheden in Somalië zijn onvoldoende. Verzoeker zal niet worden uitgezet naar Somalië. De ongewenstverklaring blijft echter bestaan zodat op verzoeker een vertrekplicht rust. Eerst als artikel 3 van het EVRM duurzaam aan uitzetting in de weg staat, er geen ander land is waar verzoeker zich kan vestigen en er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan de ongewenstverklaring disproportioneel is kan de ongewenstverklaring worden opgeheven. Bij uitspraak van 23 december 2010 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage het beroep van verzoeker tegen het besluit van 22 juli 2010 ongegrond verklaard.

1.5. Op 22 augustus 2010 heeft verzoeker het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) verzocht om hem toe te laten tot de opvang. Bij besluit van 10 september 2010 heeft het COA de aanvraag afgewezen omdat verzoeker niet behoort tot een van de categorieën asielzoekers die voor opvang in aanmerking komt. Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (RVA) is verzoeker als ongewenstverklaarde vreemdeling uitgesloten van het recht op opvang. Bij uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 19 januari 2011 is het beroep van verzoeker tegen het besluit van 10 september 2010 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat verzoeker niet heeft onderbouwd dat sprake is van een medische noodsituatie die noopt tot feitelijke opvang van verzoeker. Verzoeker heeft geen recente medische gegevens overgelegd en ter zitting is gebleken dat verzoeker wordt opgevangen door zijn neef. De rechtbank heeft daarbij ten slotte geoordeeld dat nu in de gegeven omstandigheden niet is gebleken van schending van de artikelen 3 en 8 van het EVRM, de vraag welk orgaan van de Staat bij een schending van artikel 8 van het EVRM opvang zou moeten bieden onbesproken kan blijven.

1.6. Bij besluit van 7 april 2011 heeft het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzoeker voor de periode van 7 april 2011 tot 6 april 2016 geïndiceerd voor Zorgzwaartepakket GGZ05C, klasse 7 voor 7 etmalen per week.

1.7. Verzoeker heeft het Zorgkantoor op 10 april 2011 verzocht de geïndiceerde zorg te realiseren op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ).

1.8. Bij besluit van 14 april 2011 heeft het Zorgkantoor de aanvraag van verzoeker van 10 april 2011 afgewezen op de grond dat verzoeker illegaal in Nederland verblijft en derhalve niet AWBZ-gerechtigd is.

1.9. Bij besluit van 11 juli 2011 heeft het Zorgkantoor het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 14 april 2011 ongegrond verklaard. Het Zorgkantoor heeft daarbij aangegeven dat uit artikel 5, tweede lid, van de AWBZ volgt dat verzoeker niet verzekerd is ingevolge de AWBZ.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank, voor zover thans van belang, het beroep van verzoeker ongegrond verklaard.

3. Verzoeker heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4.1. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.2. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van voldoende spoedeisend belang. Bij dit oordeel is voor de voorzieningenrechter leidend het medisch advies van het BMA van 14 april 2010, waarin is aangegeven dat gezien de klachten van verzoeker is te verwachten dat bij uitblijven van de behandeling de klachten toenemen, psychotische decompensaties kunnen gaan optreden en hij kan vervallen tot grensoverschrijdende gedragingen, welke voor zichzelf of voor anderen tot levensbedreigende situaties kunnen leiden. Het uitblijven van de in Nederland geïndiceerde behandeling zal naar het oordeel van verzekeringsarts L. ten Hove in het voornoemde rapport van 14 april 2010, binnen afzienbare termijn (tot drie maanden) een onomkeerbaar proces naar de dood tot gevolg hebben.

4.4. De voorzieningenrechter moet vervolgens de vraag beantwoorden of een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal kunnen blijven. Voor zover de beoordeling van het onderhavige verzoek meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.

4.5. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 5, tweede lid, van de AWBZ niet verzekerd is ingevolge de AWBZ, nu hij geen rechtmatig verblijf heeft op de voet van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000. Een beroep op artikel 5b van de AWBZ kan evenmin leiden tot verzekering ingevolge de AWBZ, nu geen sprake is van het voortvloeien van verzekering uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie.

4.6. De Raad heeft reeds in vele uitspraken, onder meer in zijn uitspraak van 26 juni 2001 (LJN AB2276), geoordeeld dat in de koppelingswetgeving, waarbij aan vreemdelingen slechts onder bepaalde voorwaarden rechten worden toegekend die aan Nederlandse onderdanen zonder die voorwaarden worden toegekend, een onderscheid naar nationaliteit aan de orde is dat verenigbaar is met de non-discriminatievoorschriften die zijn vervat in diverse - rechtstreeks werkende - bepalingen in internationale verdragen, zoals artikel 14 van het EVRM, artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en diverse bilaterale en multilaterale coördinatieverdragen inzake sociale zekerheid.

4.7. Ten aanzien van het beroep van verzoeker op artikel 8 van het EVRM overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 22 december 2008, LJN BG8776, heeft overwogen, merkt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid als "the very essence" van het EVRM aan. Het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het privéleven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen. Dit artikel beoogt niet alleen de staten tot onthouding van inmenging in het privéleven te dwingen, maar kan onder omstandigheden ook aan het recht op eerbiediging van het privéleven inherente positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborging ervan. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Het EHRM heeft meermalen geoordeeld dat artikel 8 van het EVRM ook relevant is in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. Daarbij is wel van belang dat in een dergelijk geval aan de Staat een extra ruime "margin of appreciation" toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten onder het EVRM belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkenen. De voorzieningenrechter wijst in dit verband onder meer op het arrest van het EHRM van 27 mei 2008, in de zaak N. vs het Verenigd Koninkrijk, nr. 26565/05 (EHRC 2008, 91).

4.8. Bij besluit van CIZ van 7 april 2011 is verzoeker in verband met de bij hem vastgestelde beperkingen geïndiceerd is voor Zorgzwaartepakket GGZ05C, gedurende 7 etmalen per week.

4.9. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat verzoeker niet rechtmatig in Nederland verblijft en dat hij tot ongewenst vreemdeling is verklaard. Uit de adviezen van BMA van 7 april 2009 en 14 april 2010 blijkt voorts dat verzoeker niet reisvaardig is en op medische gronden niet kan terugkeren naar Somalië, omdat aldaar voor hem onvoldoende behandelmogelijkheden zijn.

4.10. Uit de beschikbare medische informatie komt naar het oordeel van de voorzieningenrechter een beeld van verzoeker naar voren van een chronisch en toenemend psychotische en schizofrene man, die ernstig verloederd en vereenzaamd is en niet in staat is zichzelf te verzorgen en een gevaar voor zijn omgeving vormt. Er is bij verzoeker sprake van paranoïde psychotische gedachten en belevingen, zeer waarschijnlijk ook van uitgebreide hallucinatoire belevingen en van een globale verbrokkeling van de persoonlijkheid, met een zeer sombere prognose in psychiatrische zin. Tevens is sprake van een alcohol- en khatverslaving. Zoals hiervoor onder 4.3 is aangegeven blijk uit het advies van het BMA van 14 april 2010 dat verzoeker bij uitblijven van de behandeling kan vervallen tot grensoverschrijdende gedragingen, welke voor hemzelf of voor anderen tot levensbedreigende situaties kunnen leiden. Het uitblijven van de in Nederland geïndiceerde behandeling zal binnen afzienbare termijn (tot drie maanden) een onomkeerbaar proces naar de dood tot gevolg hebben. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker, gelet op de naar objectief medische maatstaf vastgestelde gezondheidstoestand, tot de categorie van kwetsbare personen behoort die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privé- en gezinsleven.

4.11. De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat het onthouden van de effectuering van het geïndiceerde zorgzwaartepakket voor verzoeker levensbedreigend is. In redelijkheid kan niet worden volgehouden dat in de gegeven omstandigheden de weigering van de geïndiceerde zorg blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die zorg en de particuliere belangen van verzoeker om die zorg te ontvangen, hetgeen in het onderhavige geval meebrengt dat op het Zorgkantoor een positieve verplichting rust om te voorzien in de voor verzoeker noodzakelijk geachte zorg.

4.12. De voorzieningenrechter stelt vast dat, anders dan door het Zorgkantoor werd betoogd, artikel 122a van de Zorgverzekeringswet bij de beoordeling van het onderhavige verzoek geen rol van betekenis speelt. In artikel 122a van de Zorgverzekeringswet is neergelegd dat het College zorgverzekeringen bijdragen verstrekt aan zorgaanbieders die inkomsten derven ten gevolge van het verlenen van medisch noodzakelijke zorg aan vreemdelingen - voor zover hier van belang - als bedoeld in artikel 10 van de Vw 2000. Voornoemd artikel heeft geen betrekking op het behartigen van zorgbelangen van vreemdelingen als verzoeker, maar ziet slechts op de inkomensderving van zorgaanbieders bij het verlenen van zorg aan de in dat artikel genoemde vreemdelingen.

4.13. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het verzoek om zorg te verlenen, zoals geïndiceerd in het besluit van 7 april 2011 wordt toegewezen.

5. De voorzieningenrechter veroordeelt het Zorgkantoor tot vergoeding van de proceskosten. Deze worden begroot op € 874,-- voor rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb toe, in die zin dat het Zorgkantoor de in het besluit van CIZ van 7 april 2011 geïndiceerde zorg dient te verlenen met ingang van 9 september 2011 tot de uitspraak van de Raad in de hoofdzaak;

Veroordeelt het Zorgkantoor in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 874,--;

Bepaalt dat het Zorgkantoor aan verzoeker het betaalde griffierecht van € 112,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar 9 september 2011.

(get.) H.J. de Mooij.

(get.) P.J.M. Crombach.