Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BS8943

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-09-2011
Datum publicatie
15-09-2011
Zaaknummer
09/6261 AOW + 09/6263 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schorsing AOW-pensioen. De Svb heeft de uitbetaling van het ouderdomspensioen aan appellanten geschorst in die zin dat aan hen een ouderdomspensioen naar de norm voor een persoon die een gezamenlijke huishouding voert (lees: naar de norm voor gehuwden) wordt uitbetaald. Geen sprake van situatie van duurzaam gescheiden leven. Geen aanleiding gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de sociale recherche van de Sociale verzekeringsbank bij de verschillende huisbezoeken en buurtonderzoeken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6261 AOW

09/6263 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante], wonende te [woonplaats 1] (hierna: appellante),

en

[Appellant], wonende te [woonplaats 2] (hierna: appellant),

tegen de uitspraken van de rechtbank Roermond van 9 oktober 2009, 09/214, respectievelijk van 9 oktober 2009, 08/2060 (hierna: aangevallen uitspraken),

in de gedingen tussen:

appellanten

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: Svb)

Datum uitspraak: 13 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld. De zaak van appellante, geregistreerd onder nummer 09/6261 AOW, is gevoegd met de zaak van appellant, geregistreerd onder nummer 09/6263 AOW.

De Svb heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft de Svb de Raad nog enkele stukken doen toekomen.

De zaken zijn ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 2 augustus 2011, waar partijen, zoals tevoren bericht, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten zijn met elkaar gehuwd. Aan appellant is met ingang van augustus 1999 ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend naar de norm voor gehuwden. Aan appellante is met ingang van september 2002 eveneens een gehuwdenpensioen ingevolge de AOW toegekend. Naar aanleiding van de meldingen van appellanten dat zij vanaf 1 maart 2004 geen gezamenlijke huishouding voeren, dat appellante onveranderd op het adres [adres 1] in [woonplaats 1] woont en dat het nieuwe adres van appellant [adres 2] in [naam gemeente] is, heeft de Svb aan appellanten met ingang van maart 2004 AOW-pensioen naar de (hogere) norm voor ongehuwden toegekend. Aan deze wijziging ligt ten grondslag dat appellanten vanaf maart 2004 duurzaam gescheiden leven. Appellant staat sinds 13 juli 2006 geregistreerd op het adres [adres 3] in [woonplaats 2].

1.2. In het kader van een controleonderzoek naar duurzaam gescheiden leven heeft een sociaal rechercheur van de afdeling Fraude en Opsporing (hierna: afdeling F&O) van de Sociale verzekeringsbank meerdere bezoeken aan de woning van appellante gebracht en buurtonderzoeken uitgevoerd in de omgeving van de woning van appellante en in de omgeving van het door appellant opgegeven woonadres en zijn voormalige woonadres. Bij de bezoeken aan de woning van appellante is zij nimmer thuis aangetroffen, maar daarbij is meerdere keren wel een bedrijfsauto, die op naam van appellant staat, waargenomen. Buurtbewoners van appellante hebben verklaard dat ze, de bewoners van de woning van appellante, samen op vakantie zijn en zes keer per jaar op vakantie gaan. Buurtbewoners van de door appellant opgegeven woonadressen hebben verklaard dat op die adressen nooit een man van ongeveer 70 jaar of ouder heeft gewoond. Onderzoek heeft tevens uitgewezen dat de eenmanszaak van appellant in de Kamer van Koophandel staat geregistreerd op het adres van appellante. Om te beoordelen of appellanten nog steeds als duurzaam gescheiden levend kunnen worden aangemerkt zijn appellanten uitgenodigd voor een onderhoud op het kantoor van de Sociale verzekeringbank in Roermond op 29 juli 2008. Omdat appellanten, zoals zij hebben aangegeven, geen gehoor wilden geven aan deze uitnodiging zijn zij vervolgens uitgenodigd voor een gesprek op 4 augustus 2008. Daarbij zijn appellanten erop gewezen dat als zij wederom niet verschijnen, hun AOW-pensioen kan worden geschorst. Appellanten zijn, zoals zij tevoren hebben bericht, evenmin op deze uitnodiging ingegaan.

1.3. Bij afzonderlijke besluiten van 18 augustus 2008, met als onderwerp schorsing AOW-pensioen, heeft de Svb de uitbetaling van het ouderdomspensioen aan appellanten met ingang van augustus 2008 geschorst in die zin dat aan hen een ouderdomspensioen naar de norm voor een persoon die een gezamenlijke huishouding voert (lees: naar de norm voor gehuwden) wordt uitbetaald. Bij afzonderlijke besluiten van 18 november 2008 heeft de Svb de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 18 augustus 2008 ongegrond verklaard. Aan de besluiten op bezwaar ligt ten grondslag dat appellanten naar aanleiding van de in het onderzoek door de afdeling F&O gerezen vragen over hun feitelijke leefsituatie tweemaal zijn opgeroepen om duidelijkheid te verschaffen over hun feitelijke leefsituatie, waaraan zij zonder zwaarwegende reden niet hebben voldaan.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellanten tegen de besluiten van 18 november 2008 ongegrond verklaard en hun verzoek om schadevergoeding afgewezen.

3. Appellanten hebben zich op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen de aangevallen uitspraken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij voor de relevante wettelijke bepalingen wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken.

4.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat op grond van de voorlopige onderzoeksbevindingen bij de Svb in augustus 2008 het vermoeden kon bestaan dat appellanten slechts recht hadden op gehuwdenpensioen. Aangezien appellanten ten tijde hier van belang nog onveranderd gehuwd waren, kunnen zij uitsluitend aanspraak maken op AOW-pensioen naar de norm voor ongehuwden als zij duurzaam gescheiden leven. Derhalve is niet de vraag aan de orde, zoals appellanten menen, of bij de Svb het vermoeden kon bestaan dat appellant op het adres van appellante woont en of zij een gezamenlijke huishouding voeren. Van duurzaam gescheiden leven is sprake indien ten aanzien van gehuwden de toestand is ontstaan en, in het geval van appellanten, die toestand onveranderd bestaat dat, na de door beiden of één hunner gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door hen beiden, althans door één hunner, als bestendig is bedoeld.

4.2. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd heeft de Raad geen aanleiding gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de sociale recherche van de Sociale verzekeringsbank bij de verschillende huisbezoeken en buurtonderzoeken. Dat de bedrijfsauto van appellant bij de woning van appellante meermalen is waargenomen acht de Raad temeer aannemelijk nu appellanten kennelijk van mening zijn dat er geen enkel beletsel bestaat om die auto bij de woning van appellante te parkeren omdat het bedrijf immers op haar adres is gevestigd. Vaststaat dat de eenmanszaak van appellant op het adres van appellante staat geregistreerd. Appellant heeft aangevoerd dat appellante volop diverse werkzaamheden, zoals voor de boekhouding en assistentie in de buitendienst, binnen dit bedrijf verricht. Voorts acht de Raad aannemelijk dat de directe buren van appellante met de verklaringen dat “ze” op vakantie zijn hebben gedoeld op appellante en appellant. Daarbij betrekt de Raad de opmerking van appellante tijdens een van de telefoongesprekken op 30 juli 2008 met de sociaal rechercheur, dat zij en appellant vaker samen op vakantie naar het buitenland gaan. Appellanten hebben de verklaringen van buurtbewoners van de door appellant opgegeven woonadressen, dat daar nimmer een man van ongeveer 70 jaar of ouder heeft gewoond, niet bestreden.

4.3. Appellanten hebben geen gebruik gemaakt van de geboden mogelijkheden om informatie te verstrekken over hun leefsituatie om zodoende het bij de Svb gerezen vermoeden dat zij niet langer duurzaam gescheiden leven te ontzenuwen. De Raad is van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn gezondheidstoestand niet in staat was op de beide uitnodigingen in te gaan. De omstandigheid dat hij begin 2008 een zware operatie heeft ondergaan en in juni/juli 2008 daarvan nog herstellende was, acht de Raad daartoe niet voldoende. Daarbij merkt de Raad op dat, zoals uit de gedingstukken blijkt, zijn gezondheidstoestand voor hem kennelijk geen beletsel vormde om medio 2008 naar Frankrijk en Spanje te reizen. Daargelaten dat appellante op 29 juli 2008 nog niet in het buitenland verbleef, blijkt uit de gedingstukken niet dat zij vanaf augustus 2008 niet meer in Nederland was en om die reden niet kon ingaan op de uitnodiging voor het onderhoud op 4 augustus 2008. Bovendien heeft appellante niet gesteld dat een beperkt uitstel van haar vertrek naar het buitenland op onoverkomelijke problemen zou stuiten. Gelet op het belang om op korte termijn duidelijkheid te krijgen over de leefsituatie van appellanten en van hen daarover gedetailleerde informatie te verkrijgen kan niet worden geoordeeld dat van de zijde van de Svb ten onrechte niet is ingegaan op het aanbod van appellante om vragen schriftelijk te beantwoorden en om zich vanaf januari 2009 beschikbaar te stellen voor een gesprek.

4.4. De overige bezwaren die appellanten hebben aangevoerd zijn voornamelijk van procedurele aard, zoals de korte termijn die bij de uitnodigingen voor de beide gesprekken in acht zijn genomen en de adressering van de aan appellant gerichte uitnodigingen, en leiden de Raad niet tot een ander oordeel.

4.5. De Raad is derhalve van oordeel dat de rechtbank de beroepen van appellanten tegen de besluiten van 18 november 2008 terecht ongegrond heeft verklaard. Daaruit volgt tevens dat de rechtbank het verzoek van appellanten om de Svb te veroordelen tot vergoeding van schade terecht heeft afgewezen, omdat de rechtbank ingevolge artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht een verzoek tot vergoeding van schade uitsluitend kan toewijzen als zij een beroep gegrond verklaart.

4.6. Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en C. van Viegen en M. Hillen als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 september 2011.

(get.) J.F. Bandringa.

(get.) I. Mos.

HD