Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BS8909

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-09-2011
Datum publicatie
15-09-2011
Zaaknummer
09-6472 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstandsuitkering. Antilliaans ouderdomspensioen. Schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6472 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 28 oktober 2009, 08/8846 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 26 juli 2011, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 1 juni 1988 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande en vanaf 1 oktober 2006 in aanvulling op haar pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet. Uit onderzoek van de sociale recherche is gebleken dat appellante vanaf november 2001 een Antilliaans ouderdomspensioen heeft ontvangen.

1.2. Bij besluit van 25 september 2008 heeft het College de bijstand van appellante herzien over de periode van 1 november 2001 tot en met 30 september 2006 en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 20.850,79 van appellante teruggevorderd. Aan de herziening ligt ten grondslag dat appellante over genoemde periode inkomsten heeft ontvangen uit een aan haar toegekend Antilliaans pensioen en dat pensioen in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet aan het College heeft opgegeven. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 25 september 2008 heeft het College bij besluit van 14 november 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 november 2008 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad stelt vast dat tussen partijen uitsluitend in geschil is of het College wegens dringende redenen had moeten afzien van terugvordering.

4.2. Appellante heeft aangevoerd dat zij door een huurachterstand en de terugvordering op een absoluut minimum is komen te zitten wat niet bevorderlijk is voor haar gezondheid omdat zij lijdt aan een depressie. De terugvordering is zo’n grote belasting voor haar dat gesproken kan worden van levensbedreigende omstandigheden.

4.3. Het College voert het beleid dat van terugvordering kan worden afgezien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

4.4. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat hetgeen appellante heeft aangevoerd geen dringende redenen als bedoeld in het beleid opleveren op grond waarvan het College van terugvordering had moeten afzien. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank waarop dit oordeel berust. De Raad voegt hieraan toe dat appellante de gestelde psychische klachten niet met verifieerbare, medische gegevens heeft onderbouwd. Naar het oordeel van de Raad heeft het College dan ook gehandeld in overeenstemming met het ter zake van terugvordering gehanteerde beleid. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College van dit beleid had moeten afwijken. De Raad tekent bij het voorgaande nog aan dat appellante bij de invordering van het teruggevorderde bedrag de bescherming heeft, of deze zonodig kan inroepen, van de regels inzake de beslagvrije voet als neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.5. Uit hetgeen onder 4.4 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 september 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) R.L.G. Boot.

HD