Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BS8903

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-09-2011
Datum publicatie
15-09-2011
Zaaknummer
10-3825 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3825 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 26 mei 2010, 09/100 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld en zijn nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en met een verzekeringsgeneeskundig rapport gereageerd op namens appellante in het geding gebrachte nadere stukken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2011. Namens appellante is verschenen mr. Ph.C. Kleyn van Willigen, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T. van der Weert.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Na eerder een arbeidsongeschiktheidsuitkering te hebben ontvangen, ontving appellante aansluitend een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet, van waaruit zij zich op 18 juni 2006 ziek heeft gemeld met schouderklachten en psychische klachten. Met ingang van 16 juli 2006 is haar een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2. In het kader van een herbeoordeling heeft het Uwv bij besluit van 2 juli 2008 die uitkering ingaande 3 september 2008 ingetrokken op de grond dat met ingang van deze datum appellante niet langer arbeidsongeschikt is in de zin van de WAO. Het door appellante gemaakte bezwaar is bij besluit van 15 december 2008 ongegrond verklaard. De besluiten van 2 juli 2008 en 15 december 2008 berusten op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, onderscheidenlijk heronderzoek.

2. Naar aanleiding van de beroepsgronden van appellante heeft de rechtbank de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige grondslag van het besluit van 15 december 2008 getoetst. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen dat besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante beroepsgronden aangevoerd die in de kern niet verschillen van die welke zij in eerste aanleg naar voren heeft gebracht. Zij kan zich niet verenigen met het bestreden besluit op de grond dat onvoldoende rekening is gehouden met haar medische problemen. Zij acht de door het Uwv bij haar vastgestelde medische beperkingen voor het verrichten van arbeid onderschat. Ten onrechte is ten aanzien van haar geen beperking van de arbeidstijd aangenomen. Appellante stelt dat zij als gevolg van de bij haar bestaande psychische beperkingen volledig arbeidsongeschikt is. Voorts stelt zij dat ten onrechte de bij haar bestaande COPD niet is betrokken bij het onderzoek naar haar beperkingen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling van de aangevallen uitspraak.

4.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat A.J. Mackor, verzekeringsarts in dienst van het Uwv, in februari 2008 aan dr. L. Timmerman, psychiater, heeft verzocht appellante te onderzoeken. Deze psychiater heeft op 20 maart 2008 verslag gedaan van zijn onderzoek met inachtneming waarvan de verzekeringsarts op 29 mei 2008 een rapport heeft uitgebracht en een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) heeft opgesteld. Hierin zijn in rubriek 1 (persoonlijk functioneren) beperkingen opgenomen onder 1, concentreren van aandacht, onder 2, verdelen van aandacht, onder 5, doelmatig handelen, onder 6, zelfstandig handelen, onder 9 ten aanzien van de voorspelbaarheid van de werksituatie, storingen en onderbrekingen, deadlines en productiepieken en het handelingstempo. In de rubriek 2 (sociaal functioneren) zijn beperkingen opgenomen onder 1, zien, onder 6, hanteren van emotionele problemen van anderen, onder 7, uiten van eigen gevoelens, onder 8, het omgaan met conflicten, onder 9, samenwerken, onder 10, vervoer en onder 12, leidinggeven. Deze beperkingen houden verband met de psychische klachten van appellante. Blijkens het rapport van 5 november 2008 is bezwaarverzekeringsarts W.H. van Leeuwen van mening dat de medische belastbaarheid voor appellante correct is vastgesteld. Deze bezwaarverzekeringsarts komt gemotiveerd tot die opvatting na bestudering van het dossier en na appellante verzekeringsgeneeskundig te hebben onderzocht. De rechtbank heeft op de juiste wijze de verzekeringsgeneeskundige gegevens beoordeeld, mede in het licht van hetgeen appellante, deels onder verwijzing naar de opvatting van de zogenoemde behandelend sector, naar voren heeft gebracht. De Raad onderschrijft de overwegingen die de rechtbank tot haar oordeel hebben geleid volledig.

4.2. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting overweegt de Raad dat dit niet anders wordt door het betoog van appellante dat ten onrechte niet is onderzocht of de bij haar bestaande COPD tot verdergaande beperkingen leidt. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij zijn onderzoek van de longen geen bijzonderheden vastgesteld. Hij neemt normaal bewegende longgrenzen waar, vesiculair ademgeruis, en geen dyspneu. Weliswaar noemt psychiater Timmerman COPD in zijn rapport, maar dat is een anemnestisch verkregen gegeven dat niet door hem wordt weergegeven op as III van het door hem gehanteerde DSM IV. Onder deze omstandigheden ligt het op de weg van appellante aannemelijk te maken dat twijfel gerechtvaardigd is aan het juist vermelde oordeel van de bezwaarverzekeringsarts, bijvoorbeeld door het overleggen van een specialistisch medisch rapport. De enkele verwijzing naar het desbetreffende onderdeel van het rapport van psychiater Timmerman en naar een door appellante gebruikt geneesmiddel is onvoldoende.

4.3. Uitgaande van de juistheid van de FML is de Raad met de rechtbank van oordeel dat appellante in verzekeringsgeneeskundig opzicht geschikt is voor de functies die zijn geselecteerd ter bepaling van haar verdienvermogen.

4.4. Hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 leidt ertoe dat de Raad geen aanleiding ziet een medisch deskundige te benoemen om hem van advies te dienen. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2011.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.A. van Amerongen.

KR