Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BS8897

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-09-2011
Datum publicatie
15-09-2011
Zaaknummer
10-5014 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. Geen reden om de door de verzekeringsartsen ingestelde medische onderzoeken niet zorgvuldig te achten en de daarop gebaseerde conclusies onjuist te achten. Beperkingen juist vastgesteld. Geschiktheid geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5014 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 2 augustus 2010, 10/594 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.J.M. van den Bos-Ackermans, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 15 juli 2011 heeft mr. M.A. Misker, als opvolgend gemachtigde, een rapport van klinisch psycholoog/psychotherapeut T. Spermon van 13 mei 2011 in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2011. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende.

1.2. Bij besluit van 19 april 2010 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het besluit van 11 december 2009, nadat daartegen bezwaar was gemaakt, gehandhaafd. Bij dit besluit heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 12 februari 2010 herzien van een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.3. Het bestreden besluit berust - kort samengevat - op het standpunt dat appellante weliswaar beperkingen ondervindt bij het verrichten van arbeid, maar met inachtneming van die beperkingen geschikt is voor werkzaamheden, verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies, waardoor er een verlies aan verdienvermogen is van tussen 15 en 25%.

2. De rechtbank heeft zich zowel met de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen en heeft het door appellante daartegen ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3. Het hoger beroep van appellante richt zich tegen het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. Appellante stelt dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met haar psychische klachten. Zij wijst daarbij op de verklaring van de aan het RIAGG verbonden Sociaal Psychiatrisch Verpleegkundige L. Frenken, van 8 juli 2010, waarin als diagnose is gesteld paniekstoornis met agorafobie. Gelet op deze stoornis acht appellante zich niet in staat tot het verrichten van werkzaamheden. Zij is dan ook van mening dat het Uwv deze brief niet dan wel in onvoldoende mate bij de beoordeling heeft betrokken. De rechtbank heeft dat miskend. Ter onderbouwing van haar stelling heeft appellante voorts nog gewezen op het rapport van klinisch psycholoog/psychotherapeut Spermon van 13 mei 2011.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling van de aangevallen uitspraak.

4.1. Wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de Raad geen reden om de door de verzekeringsartsen van het Uwv ingestelde medische onderzoeken niet voldoende zorgvuldig te achten en de daarop gebaseerde conclusies onjuist te achten.

4.2. In november 2009 heeft de verzekeringsarts na medisch onderzoek vastgesteld dat bij appellante sprake is van gegeneraliseerde angst en agorafobie. Dientengevolge achtte hij appellante beperkt in het hanteren van stressvolle situaties en was hij van mening dat er sprake was van een vermindering in het vermogen om probleemsituaties te hanteren en adequaat op onverwachte en/of spoedeisende gebeurtenissen te kunnen reageren. Vervolgens heeft de verzekeringsarts informatie opgevraagd bij het RIAGG. Bij brief van (lees:) 29 november 2009 heeft Frenken de door de verzekeringsarts gevraagde informatie verstrekt en heeft hij onder meer aangegeven dat de fobische en paniekklachten bij appellante aanwezig blijven en deze klachten verminderen als het binnen haar sociale netwerk stabiel en rustig blijft. Voorts heeft hij gesteld dat appellante zoveel mogelijk is gestimuleerd om deel te nemen aan maatschappelijke verplichtingen en activiteiten, dat appellante hierin bereidwillig is, hetgeen de fobische klachten duidelijk heeft beperkt. Ook is het appellante door cognitieve gedragstherapie duidelijk geworden dat angsten functioneel maar ook irreƫel kunnen zijn, hetgeen er toe heeft geleid dat appellante haar angsten beter kan filteren en zich daar beter tegen kan wapenen. Volgens de verzekeringsarts bevestigt de informatie van Frenken zijn visie dat er geen sprake is van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden en heeft hij geen aanleiding gezien de eerder door hem opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) te wijzigen. Naar aanleiding van het door appellante gemaakte bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts de hoorzitting bijgewoond en het dossier bestudeerd, waaronder de informatie van het RIAGG. In zijn beschouwing heeft de bezwaarverzekeringsarts gesteld dat hij uit de informatie van de behandelaars geen onderbouwing kan vinden voor de stelling van appellante dat zij tot nagenoeg niets in staat is. Hij wijst er op dat deelname aan maatschappelijke verplichtingen en activiteiten door de behandelaars als te stimuleren doel wordt gezien, zodat ook zijns inziens niet gesproken kan worden van een situatie van geen duurzaam benutbare mogelijkheden. De bezwaarverzekeringsarts ziet geen aanknopingspunten in objectief medische zin om de FML,waarin beperkingen zijn vastgelegd met betrekking tot het persoonlijk en sociaal functioneren alsmede ten aanzien van werktijden, onvoldoende of onjuist te achten.

4.3. De Raad ziet, gelet op alle gegevens, waaronder ook de verklaring van het RIAGG van 8 juli 2010 die in de beroepsfase door appellante in geding is gebracht en welke geen wezenlijk nieuwe medische informatie bevat, geen grond om de door het Uwv vastgestelde beperkingen voor onjuist te houden. Naar aanleiding van het door appellante in juli 2011 ingezonden (in rubriek I genoemde) stuk merkt de Raad op dat deze ziet op haar gezondheidssituatie medio 2011. Deze situatie kan echter voor de thans in geding zijnde datum niet van doorslaggevende betekenis zijn.

4.4. Aan het bestreden besluit ligt voorts ten grondslag dat appellante de functies van productiemedewerker papier, karton, drukkerij (Sbc-code 111174), samensteller metaalwaren (Sbc-code 264140) en productiemedewerker industrie (samensteller producten) (Sbc-code 111180) zou kunnen vervullen. De Raad is van oordeel dat deze functies in medisch opzicht op 12 februari 2010 voor appellante geschikt zijn, gelet op de vastgestelde functionele beperkingen en de daarbij gegeven arbeidskundige toelichtingen.

4.5. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2011.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.A. van Amerongen.

TM