Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BS8888

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-09-2011
Datum publicatie
15-09-2011
Zaaknummer
11-186 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het College heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard op grond van een niet verschoonbaar geachte overschrijding van de bezwaartermijn.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:41
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:9
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/186 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 december 2010, 10/4058 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H. Beekelaar, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2011. Namens appellante is verschenen mr. Beekelaar. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Telting, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 3 maart 2010 heeft het College de aanvraag van appellante van 22 december 2009 om algemene bijstand afgewezen.

1.2. Bij besluit van 15 juli 2010 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 3 maart 2010 niet-ontvankelijk verklaard op grond van een niet verschoonbaar geachte overschrijding van de bezwaartermijn.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 juli 2010 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd en heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van het College heeft onderschreven dat het bezwaar van appellante wegens overschrijding van de bezwaartermijn niet-ontvankelijk is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift

niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

4.2. Naar vaste rechtspraak van de Raad - zie de uitspraak van 21 februari 2007, LJN AZ9964 - dient in geval van toezending van een besluit voor de vaststelling dat aan de wettelijke voorwaarden voor het aanvangen van de bezwaartermijn is voldaan, zowel de verzending van het besluit als de ontvangst van dat besluit vast te staan dan wel voldoende aannemelijk te zijn gemaakt. Daarbij geldt dat niet is uitgesloten dat ook langs andere weg dan aangetekende verzending per post kan worden aangetoond dan wel voldoende aannemelijk gemaakt dat aan deze vereisten is voldaan.

4.3. Het besluit van 3 maart 2010 is niet aangetekend per post verzonden naar het door appellante bij haar aanvraag opgegeven adres aan de [adres] Namens het College is meegedeeld dat ter zake geen verzendregister is bijgehouden en dat het enige bewijs van verzending het telefoonrapport van 4 maart 2010 is. Uit dit rapport blijkt dat appellante op die dag de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam heeft gebeld omdat ze nog geen besluit had ontvangen op haar aanvraag. Het besluit van 3 maart 2010 is toen alsnog aangemaakt in Socrates, waarna alvast een kopie van dat besluit aan appellante is verzonden, aldus het rapport. Het College heeft hieruit opgemaakt dat het besluit op 4 maart 2010 is verzonden.

4.4. Appellante erkent dat zij het besluit heeft ontvangen. Daaruit moet worden afgeleid dat het besluit is verzonden en dat de aanbieding van het poststuk met het besluit aan het adres van appellante heeft plaatsgevonden. Appellante betwist echter dat zij het besluit reeds op of omstreeks 5 maart 2010 heeft ontvangen. Volgens appellante heeft zij het besluit veel later ontvangen, in ieder geval wel vóór 24 maart 2010, de dag waarop zij een nieuwe aanvraag heeft ingediend. Appellante heeft echter geen uitsluitsel kunnen geven over de exacte datum van ontvangst van dat besluit. Dat zou volgens appellante geweest kunnen zijn op 22 of 23 maart 2010 of nog iets eerder.

4.5. Gelet op het onder 4.3 en 4.4 overwogene heeft de Raad geen aanleiding gevonden de door het College gestelde verzending op 4 maart 2010 in twijfel te trekken. Appellante heeft in dit verband nog aangevoerd dat er kennelijk twee exemplaren van het besluit van 3 maart 2010 in omloop waren, waarvan er één niet aan haar is verzonden. Volgens het telefoonrapport van 4 maart 2010 is een kopie van het besluit van 3 maart 2010 (met daaronder één handtekening) aan haar verzonden, maar appellante stelt dat zij alleen het originele exemplaar van dat besluit (met daaronder twee handtekeningen) heeft ontvangen. Wat hier verder ook van zij, nu het College de verzending van het besluit op 4 maart 2010 aannemelijk heeft gemaakt en appellante niet heeft kunnen aangeven op welke dag zij dat besluit nu precies heeft ontvangen, speelt de omstandigheid dat appellante het originele besluit heeft ontvangen en niet (ook) een kopie daarvan, hier geen rol van betekenis.

4.6. Gelet op het vorenoverwogene kan als vaststaand worden aangenomen dat de termijn voor het maken van bezwaar is aangevangen op 5 maart 2010 en dat de laatste dag van die termijn 15 april 2010 was. Aangezien het bezwaarschrift van 22 april 2010 op 26 april 2010 is ingekomen bij de DWI, stelt de Raad vast dat ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift de termijn om bezwaar te maken reeds was verstreken. Appellante heeft aangevoerd dat haar, uitgaande van genoemde bezwaartermijn, een volledige bezwaartermijn van zes weken is onthouden, omdat zij na ontvangst van het besluit nog slechts drie weken de tijd had om een bezwaarschrift in te dienen. Hierin is naar het oordeel van de Raad echter geen grond gelegen voor het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb.

4.7. De rechtbank heeft dan ook terecht het standpunt van het College onderschreven dat het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 maart 2010 niet-ontvankelijk moest worden verklaard.

4.8. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 september 2011.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) R.L.G. Boot.

HD