Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BS8875

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-09-2011
Datum publicatie
15-09-2011
Zaaknummer
10-6450 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Partijen zijn (...) zijn expliciet door de rechtbank erop gewezen dat de zaak verder door een andere rechter zal worden behandeld in verband met verhindering van de zittingsrechter. Daarna hebben partijen desgevraagd nogmaals hun toestemming verleend voor het achterwege laten van een nadere zitting alsmede voor de wisseling van rechter. Juistheid medische grondslag. Geschiktheid functies.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2011/280
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6450 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 oktober 2010, 09/3213 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 2 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 10 juli 2011 heeft appellante nadere stukken ingezonden en een nadere toelichting gegeven op het hoger beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2011. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. K.M. Schuijt.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Het hoger beroep van appellante richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank voor zover daarbij haar beroep tegen het besluit van 29 maart 2010, hierna: het bestreden besluit, ongegrond is verklaard.

1.2. Bij het bestreden besluit heeft het Uwv, onder gegrondverklaring van het bezwaar van appellante tegen het primaire besluit van 26 november 2008, de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die vanaf 12 oktober 2004 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, met ingang van 26 januari 2009 herzien naar de klasse 35 tot 45%.

2.1. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat appellante door de verzekeringsarts psychisch en lichamelijk is onderzocht. Appellante heeft in beroep nog nadere stukken met betrekking tot haar spataderen overgelegd, wat voor de bezwaarverzekeringsarts aanleiding heeft gevormd de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aan te passen. De stelling van appellante dat de bezwaarverzekeringsarts daarbij ten onrechte geen nader onderzoek heeft ingesteld is door de rechtbank niet gevolgd, in welk verband de rechtbank heeft laten wegen dat de bezwaarverzekeringsarts informatie van de behandelend artsen - huisarts, dermatoloog en chirurg - heeft ontvangen en op basis daarvan een nader rapport heeft uitgebracht.

2.2. Evenmin heeft de rechtbank aanleiding gevonden voor de conclusie dat het medisch oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts niet juist is. De verzekeringsartsen hebben rekening ermee gehouden dat appellante bekend is met pijn in haar staartbeen, gewrichts- en spierklachten (fibromyalgie) en spanningsklachten. De door appellante in haar brief van 26 april 2010 gestelde aanmerkelijke verslechtering van haar gezondheidssituatie dient, aldus de rechtbank, buiten aanmerking te blijven, gelet op de ter beoordeling voorliggende datum 26 januari 2009.

2.3. Ook heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de aan de schatting ten grondslag gelegde functies en met de op basis van die functies vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid.

3.1. Appellante heeft in hoger beroep in de eerste plaats bezwaar gemaakt tegen het feit dat de rechter die de uitspraak heeft gewezen een ander is dan de rechter die de zitting heeft geleid. In dit verband is door appellante aangevoerd dat de vervangende rechter zich aan de hand van (slechts) de gedingstukken geen duidelijk beeld heeft kunnen vormen van haar handicap. Daarvoor is volgens appellante nodig dat de rechter zelf ter zitting aanschouwt wat zich bij haar voordoet als zij gedurende lange tijd moet zitten.

3.2. Verder is volgens appellante ten onrechte toch weer de functie van medisch secretaresse bij de schatting betrokken, terwijl de bezwaararbeidsdeskundige die functie voordien had laten vervallen.

3.3. Ten slotte vraagt appellante andermaal aandacht voor het feit dat haar ziektebeeld inmiddels dermate is verslechterd als gevolg van - onder meer - behandelingen aan haar rechterbeen en schouder, dat haar mobiliteit in ernstige mate verder is afgenomen.

4.1. Met betrekking tot de beroepsgrond van appellante dat de aangevallen uitspraak is gedaan door een andere rechter dan de rechter die de zaak ter zitting op 6 oktober 2009 heeft behandeld, overweegt de Raad als volgt.

4.2. In artikel 8:77, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is neergelegd dat de schriftelijke uitspraak de naam van de rechter of de namen van de rechters vermeldt die de zaak heeft onderscheidenlijk hebben behandeld. Ingevolge artikel 8:77, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 8:11, tweede lid, van de Awb, wordt de uitspraak ondertekend door degene die zitting heeft in de enkelvoudige kamer en de griffier. Bij verhindering van de rechter of de griffier wordt dit in de uitspraak vermeld.

4.3. De aangevallen uitspraak is gedaan en ondertekend door een andere rechter dan degene die zitting had op 6 oktober 2009. Een dergelijke handelwijze verdraagt zich mitsdien in beginsel niet met genoemde voorschriften. Volgens vaste rechtspraak lijdt dit evenwel uitzondering indien partijen, nadat de zaak eerder op een zitting behandeld is, overeenkomstig artikel 8:57 of artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb toestemming hebben gegeven dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft, mits zij bij het verlenen van die toestemming geïnformeerd zijn over het feit dat de beslissing door een andere, opvolgend, rechter wordt genomen.

4.4. Een dergelijke uitzondering doet zich hier voor. Het onderzoek ter zitting op 6 oktober 2009 is geschorst en het vooronderzoek is hervat. Na voltooiing van het vooronderzoek is het onderzoek andermaal heropend om, hetgeen abusievelijk was verzuimd, het Uwv in de gelegenheid te stellen zijn nadere besluit in de procedure in te brengen. Vervolgens is aan partijen toestemming gevraagd voor het doen van een uitspraak zonder hernieuwd onderzoek ter zitting. Beide partijen hebben deze toestemming verleend. Partijen zijn daarna in een afzonderlijk schrijven expliciet door de rechtbank erop gewezen dat de zaak verder door een andere rechter zal worden behandeld in verband met verhindering van de zittingsrechter. Daarna hebben partijen desgevraagd nogmaals hun toestemming verleend voor het achterwege laten van een nadere zitting alsmede voor de wisseling van rechter.

4.5. Er bestaat derhalve geen grond voor de zienswijze dat de aangevallen uitspraak tot stand is gekomen in strijd met artikel 8:77, derde lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:11, tweede lid, van de Awb.

4.6. Met betrekking tot hetgeen door appellante in dit verband overigens naar voren is gebracht overweegt de Raad dat, anders dan appellante kennelijk meent, in een geschil als het onderhavige de eigen waarneming ter zitting geen doorslaggevende rol speelt bij de rechterlijke oordeelsvorming over de medische aspecten van de zaak. Als niet-medicus zal de rechter wat betreft de gezondheidssituatie en de daaruit voortvloeiende beperkingen van een betrokkene moeten afgaan op de zich in het dossier bevindende medische gegevens. Voor zover aldus appellante beoogt te stellen dat de opvolgend rechter in haar geval niet geacht kan worden over voldoende kennis te beschikken over haar beperkingen - in het bijzonder haar beperking op het aspect langdurig zitten - voor een verantwoorde oordeelsvorming omdat die rechter niet aanwezig is geweest ter zitting op 6 oktober 2009, kan zij ook daarin niet worden gevolgd. Overigens heeft appellante, wat gelet op de aard van haar bezwaar op dit punt wel in de rede zou hebben gelegen, geen gebruik gemaakt van de haar geboden gelegenheid ter zitting van de Raad te verschijnen.

4.7. Ook de inhoudelijke gronden van appellante slagen niet. De Raad kan zich volledig vinden in hetgeen de rechtbank heeft overwogen over de zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig oordeel en de juistheid van de conclusies waartoe de verzekeringsartsen zijn gekomen. Appellante heeft in hoger beroep geen op de datum in geding betrekking hebbende nadere medische gegevens ingebracht die kunnen dienen ter onderbouwing van de door haar staande gehouden opvatting dat zij aanzienlijk ernstiger beperkt is dan de verzekeringsartsen hebben aangenomen. Zoals ook reeds door de rechtbank is overwogen, dienen ontwikkelingen in de gezondheidstoestand van appellante na de datum in geding - appellante wijst in haar beroepschrift op behandelingen aan haar rechterbeen en schouder en in haar schrijven van 10 juli 2011 op onderzoeken die nog lopen betreffende de bij haar vastgestelde ziekte van Menière - buiten beschouwing te blijven, daar in dit geding uitsluitend de datum 26 januari 2009 ter beoordeling voorligt.

4.8. Ten slotte verenigt de Raad zich ook met als voor appellante passende arbeidsmogelijkheden aan de schatting ten grondslag gelegde functies. Met betrekking tot de stelling van appellante dat ten onrechte de functie van medisch secretaresse weer is opgevoerd, terwijl die functie daarvóór was komen te vervallen, overweegt de Raad dat, naar ook is uiteengezet in het verweerschrift van het Uwv, die stelling feitelijke grondslag mist. Weliswaar is de primair geduide functie van medisch secretaresse (SBC-code 494010, functienummer 9311-0023-001) na aanpassing van de FML door de bezwaarverzekeringsarts komen te vervallen in verband met de daarin voorkomende belasting op het aspect staan, maar is binnen diezelfde SBC-code een andere functie medisch secretaresse met een ander functienummer (9311-0223-004) en een andere functiebelasting daarvoor in de plaats gesteld.

4.9. Het overwogene onder 4.1 tot en met 4.8 voert tot de slotsom dat het hoger beroep van appellante niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 september 2011.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) H.L. Schoor.

EV