Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BS1140

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-09-2011
Datum publicatie
13-09-2011
Zaaknummer
10-5440 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag Wajong-uitkering. Zorgvuldig onderzoek bezwaarverzekeringsarts. De medische stukken bevatten geen nieuwe feiten en omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5440 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 2 september 2010, 10/279 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.G.U. Compri, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2011. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.J. Ambrosius.

II. OVERWEGINGEN

1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de artikelen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari 2010.

2.1. Appellant, geboren op 13 april 1984 heeft op 20 maart 2007 een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering. Bij besluit van 18 juli 2007 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen omdat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 13 april 2002 minder is dan 25%. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellant, rekening houdend met zijn medische beperkingen, vanaf zijn achttiende jaar in staat wordt geacht passende werkzaamheden te verrichten. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.

2.2. Bij brief van 10 juli 2009 is het Uwv namens appellant verzocht om het besluit van 18 juli 2007 te heroverwegen. In dit verband heeft hij een psycho-diagnostisch onderzoeksrapport van 22 juni 2009 overgelegd, opgesteld op verzoek van de gemeente Nijmegen door medewerkers van de Rigertgroep. Bij besluit van 22 juli 2009 heeft het Uwv appellant meegedeeld niet terug te komen van het besluit van 18 juli 2007, omdat uit het ingestelde onderzoek is gebleken dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die er toe leiden dat de genomen beslissing onjuist is. Het tegen het besluit van 22 juli 2009 door appellant gemaakte bezwaar, is door het Uwv bij besluit van 16 december 2009 (hierna: bestreden besluit) onder verwijzing naar het rapport van 14 december 2009 van een bezwaarverzekeringsarts en onder verwijzing naar artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 16 december 2009 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek naar aanleiding van het verzoek om heroverweging op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat de conclusie inzichtelijk en voldoende is onderbouwd. De rechtbank heeft daarbij, onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 14 november 2007, LJN BB8509, opgemerkt dat het stellen van een (andere) diagnose op basis van een bekend toestandsbeeld geen novum is in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

4. Appellant heeft in het hoger beroepschrift gesteld dat het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende zorgvuldig is verricht. Daarnaast stelt appellant dat zijn psychische problemen, voortvloeiend uit ADHD en zijn anti-sociale persoonlijkheidsstoornis, in hun wisselwerking en in hun totaalbeeld een nieuw gezichtspunt zouden moeten opleveren. De nieuwe medische gegevens zijn naar het standpunt van appellant aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door de verzekeringsartsen van het Uwv vastgestelde beperkingen nu die niet overeenkomen met de beperkingen zoals vastgesteld door de medewerkers van de Rigtergroep.

5.1. De Raad overweegt als volgt.

5.2. Het besluit van 18 juli 2007 is in rechte onaantastbaar geworden.

5.3. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van de Awb staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in een dergelijk geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

5.4. De Raad volgt appellant niet in zijn standpunt dat het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende zorgvuldig is geweest. Dat rapport van 4 december 2009 geeft blijk van een zorgvuldig en inzichtelijk onderzoek waarbij de inhoud van het rapport van de Rigtergroep serieus bij de heroverweging in bezwaar is betrokken. De Raad is eveneens met de rechtbank van oordeel dat de medische stukken die het Uwv vóór het bestreden besluit ter beschikking zijn gekomen geen nieuwe feiten en omstandigheden in voormelde zin bevatten. Op dezelfde gronden als de rechtbank is ook de Raad van oordeel dat deze stukken geen wezenlijk andere gegevens bevatten ten aanzien van de medische situatie van appellant ten tijde van zijn zeventiende en achttiende verjaardag dan waarmee het Uwv reeds bekend was. Het Uwv was dan ook bevoegd het onderhavige verzoek met toepassing van artikel 4:6 van de Awb af te wijzen.

5.5. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2011.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.A. van Amerongen.