Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BS1138

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-09-2011
Datum publicatie
13-09-2011
Zaaknummer
10-5745 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet WIA. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5745 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 21 september 2010, 10/2304 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en medische stukken in het geding gebracht.

Het Uwv heeft een verweerschrift vergezeld van een rapport van een bezwaarverzekeringsarts overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 juli 2011. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

II. OVERWEGINGEN

1. Op de aanvraag van appellant om een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv bij besluit van 15 oktober 2009 afwijzend beslist. Aan die afwijzing ligt het standpunt ten grondslag dat appellant per 2 juli 2009, met inachtneming van zijn medische beperkingen, geschikt is voor het verrichten van werkzaamheden in passende functies waarbij sprake is van een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 35%. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 26 maart 2010 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven en het beroep van appellant tegen dat besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep herhaald - zakelijk weergegeven - dat het medisch onderzoek door de artsen van het Uwv onzorgvuldig is verricht. Appellant is verder van mening dat hij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Met name is onvoldoende rekening gehouden met zijn slaapproblemen en zijn rug- en hoofdpijnklachten. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant informatie van zijn huisarts B.A.J. Visser overgelegd. Appellant acht zich niet in staat de geduide functies te verrichten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust. De Raad volgt niet het standpunt van appellant dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts heeft dossieronderzoek verricht en een medisch onderzoek. Hij beschikte over voldoende medische gegevens om tot een standpunt te komen over de (lichamelijke en psychische) belastbaarheid van appellant. De bezwaarverzekeringsarts P.M. Cramer, die ter hoorzitting aanwezig was, heeft getracht medische gegevens te krijgen van de huisarts. Deze heeft niet gereageerd. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich vervolgens eveneens op het standpunt gesteld dat het beeld van de klachten van appellant voldoende duidelijk was om de belastbaarheid te kunnen beoordelen. De Raad ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de met betrekking tot appellant vermelde beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 augustus 2009. De Raad overweegt daartoe dat Cramer bij rapport van 24 maart 2010 gemotiveerd te kennen heeft gegeven waarom appellant niet gevolgd kan worden in de door hem in bezwaar aangevoerde en thans in hoger beroep herhaalde grief dat hij zwaarder beperkt is dan is vastgesteld in de FML. De Raad kan Cramer hierin volgen. Met de rechtbank is ook de Raad, uit het geheel van de voorliggende medische gegevens, niet gebleken dat de artsen van het Uwv bij de vaststelling van de beperkingen, neergelegd in de FML van 6 augustus 2009, onvoldoende rekening hebben gehouden met de bij appellant geconstateerde diverse lichamelijke klachten en de gevolgen die deze klachten hebben voor de belastbaarheid van appellant per de datum hier in geding,

2 juli 2009.

4.2. De Raad overweegt tot slot dat de in hoger beroep bij brieven van 12 oktober 2010 en 16 juli 2011 ingebrachte medische gegevens van huisarts Visser geen twijfel doen rijzen aan de juistheid van het medisch oordeel van het Uwv. Uit deze gegevens blijkt niet van zwaardere of andere beperkingen ten tijde in geding.

4.3. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht geschikt dienen te worden aangemerkt. In aanmerking genomen de diverse rapporten van de (bezwaar)arbeidsdeskundige, daarvan in het bijzonder de rapporten van 2 september 2009 en 25 maart 2010, waarin gemotiveerd wordt vermeld op basis van welke arbeidskundige gronden de functies (uiteindelijk) aan de schatting ten grondslag zijn gelegd en waarin, naar het oordeel van de Raad, ook een als genoegzaam aan te merken motivering is gegeven van de geschiktheid van de geselecteerde functies.

4.4. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2011.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) M.A. van Amerongen.