Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BS1130

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-09-2011
Datum publicatie
13-09-2011
Zaaknummer
09-6520 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. De Raad heeft geen aanleiding gezien wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit anders te oordelen dan de rechtbank. Wat betreft de medische geschiktheid van de geduide functies heeft de Raad geen aanleiding gezien de beoordeling van de voor onjuist te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/6520 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 oktober 2009, 08/1595 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M. Altena-Staalenhoef, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met daarbij gevoegd een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige C.J.T. Neefjes van 28 januari 2010 en een rapport van de bezwaarverzekeringsarts R.M. Hulst van 21 januari 2010.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2011.

Namens appellant is zijn gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

Het onderzoek ter zitting is geschorst ter voorlegging aan het Uwv van de ter zitting naar voren gekomen vragen, zoals die blijken uit het aan partijen toegezonden proces-verbaal van die zitting.

Ter beantwoording van deze vragen heeft het Uwv op 10 maart 2011 het rapport van Hulst van 4 maart 2011 overgelegd. Hierop heeft de gemachtigde van appellant bij brief van 12 april 2011 gereageerd.

Het Uwv heeft op verzoek van de Raad vragen voorgelegd aan de door Hulst in de bezwaarprocedure ingeschakelde psychiater W.M.J. Hassing. Deze psychiater heeft de vragen op 16 mei 2011 beantwoord. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv de reactie van Hulst van 21 juni 2011 ingezonden. De gemachtigde van appellant heeft bij brief van 19 juli 2011 gereageerd op de brief van psychiater Hassing van 16 mei 2011.

Desgevraagd hebben partijen de Raad toestemming gegeven in deze zaak uitspraak te doen zonder nadere zitting.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat hij, gelet op de aan het slot van rubriek I vermelde toestemming, bepaalt dat het nadere onderzoek ter zitting achterwege blijft en dat het onderzoek wordt gesloten.

2. Appellant was tot 30 oktober 2003 werkzaam als radioprogrammamaker en heeft zich met ingang van 28 oktober 2005 vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet ziek gemeld met angst- en rugklachten.

3. Appellant is in het kader van de beoordeling van zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op 13 september 2007 onderzocht door de verzekeringsarts C.M.B. Duwel. Deze verzekeringsarts verrichtte blijkens een rapport van 26 september 2007 een lichamelijk en oriënterend psychisch onderzoek. Op basis daarvan stelde hij de diagnose status na aanpassingsstoornis en PTSS en status na aspecifieke rugpijn met daarbij de vermelding mogelijk radiculair pijnsyndroom. Deze bevindingen vertaalde Duwel naar een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Bij het arbeidskundig onderzoek werd vervolgens vastgesteld dat appellant geschikt was voor de maatgevende arbeid. Hierna stelde het Uwv bij besluit van 15 oktober 2007 vast dat voor appellant met ingang van 26 oktober 2007 geen recht was ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA.

4. In de bezwaarprocedure, waarin bezwaarverzekeringsarts Hulst de beschikking had over informatie van de behandelende psychiater, liet Hulst een expertise verrichten door de in rubriek I van deze uitspraak vermelde psychiater Hassing. In haar rapport van 7 maart 2008 stelde zij als diagnose een eenmalige, matig tot ernstige depressieve stoornis en – zoals ook de behandelend psychiater – een chronische PTSS. Daarnaast gaf zij aan dat sprake was van ontwijkende trekken. Hulst nam de diagnose van Hassing over en gaf in zijn rapport van 12 maart 2008 aan dat de FML diende te worden aangevuld met meer dan wel verder gaande beperkingen in de rubrieken 1 (persoonlijk functioneren) en 2 (sociaal functioneren). Voorts was er volgens Hulst in verband met aard en omvang van de psychiatrische aandoening sprake van een wat verminderde energetische spankracht maar die was niet zodanig dat die tot een urenbeperking zou moeten leiden. De in rubriek I van deze uitspraak eveneens vermelde bezwaararbeidsdeskundige Neefjes stelde vervolgens in een rapport van 27 maart 2008 vast dat appellant in verband met de aangescherpte FML niet geschikt was voor de maatgevende arbeid maar wel voor een aantal geselecteerde functies waarbij hij het verlies aan verdienvermogen berekende op 6,87%. Hierna verklaarde het Uwv bij besluit van 15 april 2008 het bezwaar tegen het besluit van 15 oktober 2007 ongegrond.

5.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 15 april 2008 (bestreden besluit) gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens gaf de rechtbank beslissingen over vergoeding aan appellant van griffierecht en proceskosten.

5.2. De rechtbank overwoog geen reden te hebben te twijfelen aan de juistheid van de FML zoals die wat betreft de beperkingen op het psychisch vlak is aangescherpt door Hulst. Daarbij wees de rechtbank erop dat Hulst in zijn oordeel de expertise van Hassing en de informatie van de behandelend psychiater had betrokken. Voorts zag de rechtbank in de expertise van Hassing geen aanleiding om voor onjuist te houden het oordeel van Hulst dat geen verdergaande urenbeperking dan een beperking tot gemiddeld ongeveer 8 uur per dag aangewezen was. De rechtbank zag niettemin aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat Hulst onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij in verband met de bevinding van Duwel dat aan rug en nek geen afwijkingen waren gevonden de in de FML opgenomen lichamelijke beperkingen alle heeft laten vervallen dan wel heeft afgezwakt.

5.3. De rechtbank heeft echter de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand gelaten omdat zij tot de conclusie kwam dat de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht ook geschikt zouden zijn voor appellant indien de belasting daarin zou worden beoordeeld aan de hand van de FML zoals die wat betreft de lichamelijke beperkingen was opgesteld door Duwel en zoals die wat betreft de psychische beperkingen nader was aangevuld door Hulst. Voorts onderschreef de rechtbank in haar overweging 7.5 hetgeen Neefjes ten aanzien van het item hoog handelingstempo heeft opgemerkt ten aanzien van de onder de SBC-code 272043 vallende functies afbiester en bandster.

6.1. In hoger beroep heeft appellant – onder verwijzing naar het gestelde in bezwaar en beroep – gewezen op zijn concentratieproblemen zoals die ook in het rapport van Hassing naar voren komen. Voorts heeft hij gesteld dat het feit dat hij de dagbehandeling niet kon volhouden onderstreept dat een urenbeperking aangewezen is. In dit verband heeft hij ook gewezen op het rapport van een arts van het Uwv van 5 juli 2007 waarin in het kader van arbeidsgewenning was aangegeven dat appellant bij aanvang slecht 4 uur per week mocht werken. Ten slotte wees appellant op het hoge handelingstempo in de geduide functies.

6.2. Het Uwv heeft bij zijn verweerschrift in hoger beroep de in rubriek I van deze uitspraak vermelde rapporten van Hulst van 21 januari 2010 en Neefjes van 28 januari 2010 overgelegd. Hulst heeft, hoewel het Uwv heeft berust in de aangevallen uitspraak, naar aanleiding van de beoordeling daarin van de geduide functies op de in overweging 5.3 van de onderhavige uitspraak van de Raad aangegeven wijze en gelet op het feit dat die gecombineerde FML ook beperkende toelichtingen bevat, een nieuwe FML, gedateerd 21 januari 2010 opgesteld. In verband daarmee heeft Neefjes in zijn even genoemd rapport de medische geschiktheid van de geduide functies aanvullend toegelicht.

7.1.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit anders te oordelen dan de rechtbank.

7.1.2. Naar aanleiding van het besprokene ter zitting van 20 januari 2011 aangaande het gestelde in het rapport van Hassing van 6 maart 2008 over het item concentratie en in aanmerking genomen de na schorsing van het onderzoek ter zitting ingezonden standpuntbepaling van partijen dienaangaande heeft de Raad door tussenkomst van het Uwv aan Hassing een nadere vraag voorgelegd. In haar rapport van 16 mei 2011 heeft Hassing nader toegelicht hoe de beschrijving in haar rapport van 6 maart 2008 inzake het item concentratie dient te worden begrepen. Hassing heeft aangegeven dat de beschrijving in hoofdstuk VI van haar rapport van 6 maart 2008 zowel haar observaties als de door appellant verwoorde klachten bevat en dat concentratie door hem als klacht is vermeld maar dat door haar bij haar onderzoek geen problemen in de concentratie zijn waargenomen. Voorts gaf zij aan dat deze klacht bij “cognitieve functies” wordt vermeld als het wordt gezien bij de observatie en bij “affectieve functies” als begeleidende klacht bij een stemmingsstoornis. De Raad heeft uit deze nadere toelichting van Hassing en gelet op haar vaststellingen bij observatie, niet kunnen afleiden dat voor appellant een beperking op het item concentratie aangewezen is. Ook overigens heeft de Raad hiervoor in de beschikbare medische gegevens geen aanknopingspunten gevonden.

7.1.3. De Raad stelt voorts vast dat Hassing in haar rapport van 16 mei 2011 heeft gesteld dat een uitspraak over een urenbeperking buiten het expertisegebied van de psychiater valt. De Raad oordeelt dat de beschikbare medische gegevens onvoldoende aanknopingspunten bieden om de noodzaak van een urenbeperking verdergaand dan die in de FML is verwerkt ten tijde van de datum in geding aangewezen te achten. Naast hetgeen Hulst ter zake in de bezwaarprocedure heeft opgemerkt, als weergegeven in overweging 4, wijst de Raad erop dat Hulst in zijn rapport van 4 maart 2011 aangaf dat ten tijde van de datum in geding geen sprake was van een beperkte beschikbaarheid ten gevolge van het volgen van een therapie en dat ook het dagverhaal geen redenen gaf om vanwege energetische redenen een verdergaande urenbeperking te stellen. Ten slotte kan er niet aan worden voorbijgezien dat de in overweging 6.1 in het kader van arbeidsgewenning vanwege het Uwv op 5 juli 2007 vermelde urenbeperking, naar het de Raad voorkomt, moet worden begrepen in het licht van re-integratie en dat daaraan in het kader van de onderhavige beoordeling niet die betekenis kan worden toegekend die appellant daaraan kennelijk wenst te geven.

7.2. Wat betreft de medische geschiktheid van de geduide functies heeft de Raad geen aanleiding gezien de beoordeling van de rechtbank en - in het verlengde daarvan - de nadere toelichting van Neefjes als vermeld in overweging 6.2 voor onjuist te houden. Wat betreft het hoog handelingstempo, waarvoor appellant in de FML op item 1.9.8 beperkt is geacht, onderschrijft de Raad in de eerste plaats hetgeen de rechtbank ter zake in haar overweging 7.5 heeft overwogen over de motivering ten aanzien van dit item in de rapporten van Neefjes van 27 maart 2008 en 2 september 2009. Het komt er op neer dat, anders dan in de confectieindustrie gebruikelijk is, in de functie afbiester dit tempo relatief laag is, terwijl volgens Neefjes in de functie bandster productiedwang wordt opgelost door incidenteel langer werken door parttimers. Voorts wijst de Raad erop dat het Resultaat Functiebeoordeling van de overige geduide functies geen signalering bevat op het item 1.9.8.

7.3. De overwegingen 7.1.1 tot en met 7.2 leiden de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

8. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 september 2011.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) T.J. van der Torn.