Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BS1102

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-09-2011
Datum publicatie
12-09-2011
Zaaknummer
10-3606 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering toe te kennen. Deze uitspraak zag op hoger beroepsprocedures in verband met eerdere besluitvorming over de intrekking van de WAO-uitkering van appellant met ingang van 29 mei 1997 en de weigering artikel 43a van de WAO toe te passen in verband met medische verklaringen over zijn gezondheidstoestand sedert halverwege 1998.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3606 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] in Marokko (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 10 juni 2010, 09/2618 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 9 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadien enkele medische stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft gereageerd op de overgelegde medische stukken met inzending van het rapport van de bezwaarverzekeringsarts R.M. de Vink van 28 september 2010.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2011.

Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Knigge.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als productiemedewerker via een uitzendbureau toen hij zich met ingang van 13 mei 1991 arbeidsongeschikt meldde als gevolg van knieletsel links. In verband hiermee is aan appellant na een beroepsprocedure op 12 december 2001 met ingang van 13 mei 1992 een volledige uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toegekend.

1.2. Bij besluit van 9 januari 2002 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 29 mei 1997 ingetrokken omdat appellant minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar heeft het Uwv op 9 januari 2002 ongegrond verklaard. Het beroep tegen laatstgenoemd besluit is door de rechtbank op 4 november 2003 ongegrond verklaard. Voorts heeft het Uwv bij besluit van 26 maart 2003 aan appellant een WAO-uitkering geweigerd omdat geen sprake was van arbeidsongeschiktheid die voortkwam uit dezelfde oorzaak als die waarvoor appellant uitkering heeft ontvangen. Dit besluit is door het Uwv op 25 juli 2003 gehandhaafd. Het daartegen ingestelde beroep is door de rechtbank op 13 oktober 2004 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 4 november 2005 (LJN AU5643) heeft de Raad de in deze overweging vermelde uitspraken van de rechtbank bevestigd. Daarbij heeft de Raad onder meer overwogen dat hem niet is kunnen blijken dat aan de toegekende uitkering ook psychische klachten ten grondslag hebben gelegen.

2. Appellant heeft zich op 12 december 2005 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld met ingang van 1997. Na onderzoek in Marokko op verzoek van het Uwv, waarbij in een rapport van het CNSS van 23 april 2008 onder andere als huidige diagnose is gesteld een recidiverende depressieve stoornis met psychotische trekken, heeft de verzekeringsarts S.M. Oosterhout in een rapport van 26 september 2008 na weging van alle beschikbare medische informatie, waaronder die uit het verleden, geconcludeerd dat geen sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid ten gevolge van dezelfde ziekteoorzaak binnen 5 jaar na de eerdere afschatting. In lijn met deze conclusie weigerde het Uwv bij besluit van 9 februari 2009 appellant een WAO-uitkering toe te kennen met toepassing van een verkorte wachttijd van vier weken.

3. Het tegen het besluit van 9 februari 2009 namens appellant gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 29 mei 2009 ongegrond verklaard. Daaraan lag ten grondslag het rapport van de bezwaarverzekeringsarts W. Ebbelaar van 28 mei 2009. Deze arts wees op de in overweging 2 vermelde uitspraak van de Raad en voorts op het rapport van 5 maart 1997 van een in Nederland door de psychiater J.K. van der Veer verrichte expertise. Hierin is aangegeven dat geen sprake was van manifeste psychopathologie in de zin van een depressie in engere zin, een angststoornis of een somatoforme stoornis en dat er vanuit psychiatrisch oogpunt dan ook geen belemmeringen waren voor werkhervatting. Voorts gaf Ebbelaar aan dat in het belastbaarheidspatroon van 11 april 1997 geen beperkingen waren opgenomen ten aanzien van psychisch belastende factoren.

4.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 29 mei 2009 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

4.2. De rechtbank wees wat betreft de toepassing van artikel 43a van de WAO op de rechtspraak van de Raad zoals die naar voren komt in bijvoorbeeld zijn uitspraken van 20 juli 2001 (LJN AE4768) en 7 januari 2009 (LJN BH1047) en voorts op het in overweging 3 weergegeven oordeel van Ebbelaar. De rechtbank kende – onder verwijzing naar de ook door Ebbelaar vermelde expertise van Van der Veer – geen doorslaggevende betekenis toe aan de in beroep door appellant overgelegde verklaringen van de neuropsychiater A. El Hamdouchi van 13 juni 2008 en 22 oktober 2009 waarin sprake is van behandeling van appellant sedert 1995 mede vanwege psychische problematiek. Zij wees in dit verband ook op het nader rapport van Ebbelaar van 25 november 2009.

5. In hoger beroep heeft appellant zijn in eerdere fasen van de procedure voorgedragen gronden en argumenten ter ondersteuning van zijn aanvraag in essentie herhaald. In dit verband heeft appellant verklaringen van een behandelend reumatoloog in Marokko van 20 augustus 2010 en een verklaring van de neuropsychiater El Hamdouchi van 20 augustus 2010 overgelegd.

6.1. De Raad heeft in het hoger beroep van appellant geen aanleiding gezien om het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit voor onjuist te houden, zij het op andere gronden. De Raad overweegt dat hij, gelet op de door appellant in deze procedure gestelde ingangsdatum van de toegenomen arbeidsongeschiktheid (met ingang van 1997), in het midden kan laten of ten tijde van de latere intrekking van de WAO-uitkering van appellant met ingang van 29 mei 1997, gelet op de in de overwegingen 4 en 5 van deze uitspraak van de Raad vermelde gegevens, bezien in het licht van het door Ebbelaar vermelde en lijn met zijn in overweging 3 genoemde expertise van psychiater

Van der Veer, sprake was van psychische klachten. In overweging 1.2 vermelde uitspraak van 4 november 2005 stelt de Raad vast dat niet is kunnen blijken dat reeds aan de aan appellant met ingang van 13 mei 1992 toegekende WAO-uitkering ook mede psychische klachten ten grondslag lagen. De Raad wijst erop dat deze uitspraak zag op hoger beroepsprocedures in verband met eerdere besluitvorming over de intrekking van de WAO-uitkering van appellant met ingang van 29 mei 1997 en de weigering artikel 43a van de WAO toe te passen in verband met medische verklaringen over zijn gezondheidstoestand sedert halverwege 1998.

6.2. Overweging 6.1 leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van R.L. Venneman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 september 2011.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) R.L. Venneman.