Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BS1095

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-08-2011
Datum publicatie
13-09-2011
Zaaknummer
10-3321 WWB + 10-3322 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en (mede) terugvordering bijstandsuitkering. Duurzaam gescheiden levende echtgenoten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3321 WWB

10/3322 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[Appellante] (appellante) en [appellant] (appellant), beiden wonende te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 28 april 2010, 09/113 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellanten

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijssen-Holten (hierna: College)

Datum uitspraak: 30 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens elk van appellanten heeft mr. L. de Widt hoger beroep ingesteld en nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2011. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. De Widt. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door G. Sanderman, werkzaam bij de gemeente Rijssen-Holten.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten waren ten tijde hier van belang gehuwd. Voor appellant gold met ingang van 9 maart 2007 een strafrechtelijk contactverbod ten aanzien van appellante en de uit de relatie van appellanten geboren kinderen. Aan appellante is bij besluit van 11 juli 2007 met ingang van 1 mei 2007 een uitkering ingevolgde de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Daarbij is het College ervan uitgegaan dat zij gescheiden leefde van appellant. In juni 2007 heeft een medewerker van de sociale dienst met appellante gesproken over haar woon- en leefsituatie, waarbij er van de zijde van die dienst onder meer op is gewezen dat er geen sprake meer mag zijn van een financiële verstrengeling met haar echtgenoot (zoals een gezamenlijke bankrekening) en dat de inschrijving in het GBA in overeenstemming moest worden gebracht met de feitelijke woonsituatie. In het besluit van 11 juli 2007 heeft het College aan appellante onder meer de verplichting opgelegd de gemeente op de hoogte te houden van de stand van zaken omtrent de echtscheiding.

1.2. Op 21 februari 2008 heeft een medewerker van de sociale dienst met appellante een gesprek gehad. Bij die gelegenheid deelde appellante mee dat zij de echtscheidingsprocedure in augustus 2007 heeft stopgezet en dat er nadien weer contact met appellant is geweest. Bij besluit van 3 april 2008 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 1 maart 2008 ingetrokken op de grond dat zij een gezamenlijke huishouding is gaan voeren met appellant. Appellante heeft daartegen geen bezwaar gemaakt.

1.3. Naar aanleiding van het vervolgens bij de sociale dienst gerezen vermoeden dat appellanten al vanaf 1 januari 2008 weer samenwoonden, heeft de Sociale Recherche Twente een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht en zijn appellanten verhoord. De bevindingen daarvan zijn neergelegd in een rapport van 9 juni 2008. Daarin is onder meer geconcludeerd dat vanaf oktober 2007 sprake is van contacten tussen appellanten. De betrokken sociaal rechercheur heeft geadviseerd om de bijstand van appellante vanaf 1 november 2007 in te trekken, gelet op het rond die datum herstelde contact tussen appellanten.

1.3. Bij beschikking van de rechter-commissaris van de rechtbank Arnhem van 3 augustus 2007 is bepaald dat appellant na voorafgaand overleg met de begeleider en onder toezicht vanaf 13 augustus 2007 contact mag hebben met appellante en de kinderen van appellanten. Het contactverbod tussen partijen is opgeheven op 17 januari 2008.

1.4. Appellanten zijn nadien van echt gescheiden. Ter zitting van de rechtbank op 29 maart 2010 heeft de gemachtigde van appellanten verklaard dat het echtscheidingsvonnis betreffende appellanten in april 2010 is ingeschreven.

1.5. In het resultaat van het onder 1.2 genoemde onderzoek heeft het College aanleiding gezien om bij besluit van

13 augustus 2008 de bijstand van appellante over de periode van 6 augustus 2007 tot en met 29 februari 2008 in te trekken op de grond dat appellante in die periode geen zelfstandig subject van bijstand was. Daarbij heeft het College in hoofdzaak in aanmerking genomen dat appellanten gehuwd zijn en dat appellante - zonder daarvan melding te maken - de echtscheidingsprocedure met appellant op 6 augustus 2007 heeft stopgezet. Het College heeft tevens besloten de over de hiervoor genoemde periode gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen tot een bedrag van € 6.319,54, en deze kosten mede terug te vorderen van appellant.

1.6. Bij besluit van 17 december 2008 heeft het College de tegen het besluit van 13 augustus 2008 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 17 december 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Naar de Raad uit de hoger beroepschriften begrijpt, betreft het hoger beroep van appellante de intrekking en de terugvordering, en het hoger beroep van appellant de medeterugvordering. Appellanten bestrijden dat zij over de in geding zijnde periode moeten worden aangemerkt als niet duurzaam gescheiden levende echtgenoten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ter zitting van de Raad is gebleken dat appellante zich niet verzet tegen intrekking van de bijstand met ingang van de datum waarop het contactverbod is opgeheven (17 januari 2008) en weer sprake was van samenwoning, en dat appellanten zich ook niet verzetten tegen de (mede)terugvordering over de periode van 17 januari 2008 tot en met

29 februari 2008. Partijen zijn verdeeld gebleven over het antwoord op de vraag of in de periode van 6 augustus 2007 tot

17 januari 2008 gesproken moet worden van duurzaam gescheiden levende echtgenoten in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB.

4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 november 2010, LJN BO6538) is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten in de zin van de onder 4.1 genoemde bepaling sprake indien het een door beide betrokkenen, of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder van hen afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld.

4.3. Anders dan de rechtbank en het College hebben aangenomen, is de Raad van oordeel dat aan het enkele feit dat appellante aan haar advocaat opdracht heeft gegeven geen verzoekschrift tot echtscheiding in te dienen niet zonder meer de conclusie kan worden verbonden dat niet langer sprake was van een door appellante gewilde, bestendige verbreking van de echtelijke samenleving. Met het in het hoger beroepschrift neergelegde betoog op dit punt heeft appellante voldoende aannemelijk gemaakt dat er in augustus 2007 bij haar nog niet kon worden gesproken van een intentie om (definitief) af te zien van de verbreking van de huwelijkse relatie. Zij heeft verder aangevoerd dat zij in die periode het voeren van een echtscheidingsprocedure om psychische redenen ook niet aankon, hetgeen de Raad, gelet op de overgelegde gegevens van haar huisarts en de brief over haar psychologische behandeling, evenmin onaannemelijk voorkomt. In dit verband neemt de Raad verder in aanmerking dat in augustus 2007 nog sprake was van een contactverbod en dat, zo blijkt uit onderdeel 1.3 van deze uitspraak, uitsluitend na voorgaand overleg met de contactpersoon van de Reclassering, alleen door de Reclassering begeleide contacten waren toegestaan. Ten slotte neemt de Raad in aanmerking dat uit de gedingstukken niet is gebleken van een eerder feitelijk contact tussen appellanten dan in oktober 2007.

4.4. De Raad volgt appellante niet in haar standpunt dat pas in januari 2008 niet meer kon worden gesproken van duurzaam gescheiden levende echtgenoten. De Raad ziet geen redenen om appellante niet te houden aan hetgeen zij tegenover de sociale recherche heeft verklaard over haar contacten met appellant in de periode vanaf oktober 2007. Daaruit moet in de eerste plaats worden afgeleid dat in oktober 2007 een begin is gemaakt met het herstel van de relatie. In oktober 2007 is sprake geweest van begeleid contact van appellante met appellant en hebben appellanten gezamenlijk, zonder begeleiding van de reclassering, een auto gekocht. Verder zijn appellanten in die maand samen naar een ziekenhuis in België geweest. Daarnaast heeft appellante verklaard dat buiten de Reclassering om afspraken werden gemaakt om elkaar te zien en dat appellant vanaf november 2007 in de weekenden gewoon thuis was. Aan de verklaring van de werkgever van appellant, dat appellant destijds in de weekenden op zijn werkadres of in zijn woonruimte in [plaatsnaam] heeft verbleven, kan niet de betekenis worden toegekend die appellanten daaraan gehecht willen zien. Appellant was in de weekenden immers vrij om te gaan en te staan waar hij wilde (behoudens het contactverbod) en de Raad acht niet aannemelijk dat de werkgever er in de weekenden steeds van op de hoogte was waar appellant feitelijk verbleef. De Raad acht het, alles bijeen genomen, juist om in dit geval aan te nemen - zoals ook is geadviseerd door de sociale recherche - dat vanaf 1 november 2007 niet langer kan worden gesproken van duurzaam gescheiden levende echtgenoten.

4.5. De Raad is van oordeel dat appellante de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. Uit de gedingstukken blijkt niet dat appellante aan het College melding heeft gemaakt van haar beslissing op 6 augustus 2006 tot het (toen) niet verder in gang zetten van de echtscheidingsprocedure, van het feitelijke herstel van de contacten tussen haar en appellant in oktober/november 2007, van de opheffing van het contactverbod en van de hervatting van de samenwoning in januari 2008. Het gaat hier om feiten en omstandigheden waarvan het haar redelijkerwijs duidelijk moest zijn, zeker tegen de achtergrond van de inhoud van het in juni 2007 met haar gevoerde gesprek en de inhoud van het besluit van 11 juli 2007, dat deze van invloed konden zijn op haar recht op bijstand. Uit het voorgaande volgt dat deze schending ertoe heeft geleid dat aan appellante over de periode vanaf 1 november 2007 ten onrechte bijstand is verleend.

4.6. Het hoger beroep van appellante tegen de intrekking van de bijstand treft dus doel voor zover het betreft de periode van

6 augustus 2007 tot en met 31 oktober 2007. Dat brengt mee dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Het besluit van 17 december 2008 berust voor zover het de intrekking over de zojuist genoemde periode betreft niet op een deugdelijke motivering en in zoverre dient dit besluit, onder gegrondverklaring van het beroep, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden vernietigd. De Raad ziet, mede met het oog op een finale beslechting van het geschil, aanleiding om met toepassing van artikel 8:74, derde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door de intrekking te herroepen voor zover het de zojuist genoemde periode betreft.

4.7. Met betrekking tot de resterende periode is de Raad van oordeel dat het College op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was tot intrekking van de bijstand. De Raad ziet in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. In zoverre kan het intrekkingsbesluit derhalve standhouden.

4.8. Uit het voorgaande volgt dat het College niet bevoegd was de over de periode van 6 augustus 2007 tot en met

31 oktober 2007 gemaakte kosten van bijstand van appellante terug te vorderen en van appellant mede terug te vorderen. Het College is wel op grond van de artikelen 58, eerste lid, aanhef en onder a, en 59, tweede lid, van de WWB bevoegd tot terugvordering respectievelijk medeterugvordering over de periode van 1 november 2007 tot en met 28 februari 2008. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik mag maken. In aanmerking genomen dat het terugvorderingsbesluit als ondeelbaar moet worden beschouwd, komt het besluit van 17 december 2008 voor zover het ziet op de terugvordering geheel voor vernietiging in aanmerking.

4.9. Nu met het hiervoor weergegeven oordeel van de Raad het materiële geschil tussen partijen is beslecht, is er in dit geval geen aanleiding voor toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet. De Raad zal het College opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met betrekking tot de terugvordering en de medeterugvordering, met inachtneming van deze uitspraak.

5. De Raad ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat in hoger beroep sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak.

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 17 december 2008 voor zover het betreft de intrekking van de bijstand over de periode van 6 augustus 2007 tot en met 31 oktober 2007 en de (mede)terugvordering geheel;

Herroept het besluit van 13 augustus 2008 voor zover het betreft de intrekking over de periode van 6 augustus 2007 tot en met 31 oktober 2007;

Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt voor zover het betreft de terugvordering en de medeterugvordering, met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.518,--, waarvan een bedrag van € 874,-- te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College het door appellanten betaalde griffierecht van in totaal € 150,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) I. Mos.

HD