Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR7107

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-09-2011
Datum publicatie
08-09-2011
Zaaknummer
09-4959 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Niet woonachtig op het opgegeven adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4959 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 30 juli 2009, 08/1084 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen (hierna: College)

Datum uitspraak: 6 september 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.C.C.M. Nadaud, advocaat te Vaals, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2011. Appellant en mr. Nadaud, laatstgenoemde met voorafgaand bericht, zijn niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door M.H. Hoogestegen en J.C. Becker, beiden werkzaam bij de gemeente Terneuzen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant heeft op 11 januari 2008 een aanvraag om bijstand ingediend op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Hierbij heeft hij als woonadres opgegeven [adres] in [woonplaats].

1.2. Bij besluit van 8 april 2008, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 10 oktober 2008, heeft het College de aanvraag afgewezen. Hieraan ligt het volgende ten grondslag. Uit onderzoek van de sociale recherche blijkt dat appellant zijn hoofdverblijf niet heeft op het door hem opgegeven woonadres, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 10 oktober 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat appellant ten tijde van belang niet daadwerkelijk in [woonplaats] woonde. Er is geheel voorbijgegaan aan het feit dat hij een transportbedrijf exploiteert en zelf op de vrachtwagen rijdt, waardoor hij zelden thuis is. Dit wordt bevestigd door de overgelegde verklaring van [C.D.]. Ten onrechte is belang gehecht aan de verklaring van buurtbewoonster T.L. [B.] (hierna: [B.]), omdat niet duidelijk is over wie zij in haar verklaring spreekt. Het verrichte onderzoek is te summier en daardoor onzorgvuldig geweest.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De vraag waar iemand voor de toepassing van de Wet werk en bijstand en het Bbz 2004 zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige inlichtingen over zijn woonsituatie te verstrekken aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand. In geval van een aanvraag ligt het in eerste instantie op de weg van de aanvrager om de nodige duidelijkheid te verschaffen.

4.2. De Raad is met de rechtbank en het College van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde van belang op het door hem opgegeven adres woonachtig was. Niet in geschil is dat appellant zelden op dit adres aanwezig was. De enkele stelling van appellant dat zijn geringe aanwezigheid moet worden verklaard uit zijn werkzaamheden als internationaal vrachtwagenchauffeur, is onvoldoende om aan te nemen dat hij daar zijn woonadres had. Daarbij is van belang dat er, afgezien van zijn geringe aanwezigheid, andere indicaties zijn om aan te nemen dat appellant niet op het opgegeven adres in [woonplaats] woonachtig was. De Raad wijst daarbij onder meer op de volgende onderzoeksgegevens. Appellant heeft de Duitse nationaliteit en is getrouwd. Zijn echtgenote en twee kinderen wonen in [A.] in Duitsland. De woning in [woonplaats] is de gezamenlijke eigendom van appellant en zijn echtgenote en is als ‘tweede woning’ verzekerd bij Interpolis, waarbij appellant met vermelding van het adres in [A.] als verzekeringnemer is geregistreerd. De aan appellant gerichte energie- en waterrekening van Delta met betrekking tot de woning in [woonplaats] werd naar het adres in [A.] gestuurd. Hetzelfde geldt voor de afschriften van de gezamenlijke rekening van appellant en zijn echtgenote bij de Rabobank Terneuzen-Sas van Gent. Het transportbedrijf van appellant is in Nederland gevestigd, maar de vrachtwagens waren in Duitsland geleased, zijn in Duitsland verzekerd en werden met hulp van de vader van appellant in Duitsland onderhouden. Verder beschikt appellant over een ondernemersrekening bij de ABN AMRO in Vaals, niet ver van [A.]. Ook indien de verklaring van [B.] niet aan de besluitvorming ten grondslag had mogen worden gelegd, zoals appellant wenst, kan dit niet afdoen aan het oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde van belang op het door hem opgegeven adres woonachtig was. De Raad is ten slotte, anders dan appellant, van oordeel dat het verrichte onderzoek niet dermate summier is geweest dat het besluit van 10 oktober 2008 daarop niet had mogen worden gebaseerd.

4.3. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en E.J.M. Heijs en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 september 2011.

(get.) J.C.F. Talman.

(get.) J. de Jong.