Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR7047

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-08-2011
Datum publicatie
08-09-2011
Zaaknummer
09-5661 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen procesbelang kan worden ontleend aan de door appellant verzochte veroordeling tot vergoeding van proceskosten. Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/5661 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 2 oktober 2009, 09/25 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Bestuurscommissie Sociale Dienst Drechtsteden (hierna: Bestuurscommissie), thans Drechtstedenbestuur

Datum uitspraak: 30 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Als gevolg van de inwerkingtreding van een gemeenschappelijke regeling oefent het Drechtstedenbestuur per 1 januari 2011 de taken en bevoegdheden in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) uit die voorheen door de Bestuurscommissie werden uitgeoefend.

Namens appellant heeft mr. A.J.J. Fraanje, advocaat te Dordrecht, hoger beroep ingesteld.

De Bestuurscommissie heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juli 2011. Appellant is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het Drechtstedenbestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.M. Berkhoudt, werkzaam bij de Sociale Dienst Drechtsteden.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 15 november 2000 bijstand, laatstelijk ingevolge de WWB.

1.2. Bij besluit van 23 april 2008 heeft de Bestuurscommissie de bijstand van appellant met ingang van 1 april 2008 voor de duur van één maand met 100% verlaagd (hierna: de sanctie). Aan het besluit ligt ten grondslag dat appellant geweigerd heeft algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden.

1.3. Appellant heeft bij brief van 24 april 2008 tegen dit besluit bezwaar gemaakt en tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. Bij uitspraak van 23 mei 2008, 08/451, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toegewezen en het besluit van 23 april 2008 geschorst tot zes weken na de dag waarop de beslissing op bezwaar is verzonden.

1.4. Ter uitvoering van de uitspraak van de voorzieningenrechter is de sanctie ongedaan gemaakt en is de bijstand over de maand april 2008 alsnog betaalbaar gesteld.

1.5. Bij besluit van 18 december 2008 heeft de Bestuurscommissie het tegen het besluit van 23 april 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij brief van 7 januari 2009 heeft appellant tegen dit besluit beroep ingesteld.

1.6. Bij besluit van 20 augustus 2009 heeft de bestuurscommissie onder intrekking van het besluit van 18 december 2008 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 april 2008 ongegrond verklaard en de in 1.2 genoemde sanctie gehandhaafd. De rechtbank heeft het besluit van 20 augustus 2009 aangemerkt als een besluit dat op de voet van de artikelen 6:18 en 6:19, eerste lid, van de Awb mede in de beoordeling moet worden betrokken.

1.7. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep voor zover gericht tegen het besluit van 18 december 2008 niet-ontvankelijk verklaard en voor zover gericht tegen het besluit van 20 augustus 2009 ongegrond verklaard.

1.8. Bij besluit van 16 maart 2009 heeft de Bestuurscommissie de bijstand met ingang van 16 maart 2009 ingetrokken, omdat appellant gesubsidieerde arbeid heeft aanvaard en zijn inkomen uit dit dienstverband gelijk is of meer bedraagt dan de bijstandsnorm, zodat hij geen recht meer heeft op bijstand.

2. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover het beroep tegen het besluit van 20 augustus 2009 ongegrond is verklaard.

3.1. In het verweerschrift heeft de Bestuurscommissie vermeld dat, aangezien appellant met ingang van 16 maart 2009 is uitgestroomd naar arbeid in loondienst, de sanctie niet ten uitvoer kon worden gelegd. Voorts heeft de Bestuurscommissie onder verwijzing naar artikel 4.24, vierde lid, van de Verordening Werk en Bijstand Drechtsteden (hierna: de Verordening), erop gewezen dat indien en voor zover appellant langer dan een jaar geen beroep doet op een bijstandsuitkering het recht om de sanctie te effectueren voor de Sociale Dienst Drechtsteden vervalt.

3.2. In reactie op het verweerschrift heeft mr. A.J.J. Fraanje bij brief van 14 juli 2011 namens appellant meegedeeld dat op grond van artikel 4.24, vierde lid, van de Verordening de sanctie slechts wordt opgeschort totdat wederom een uitkering ingevolge de WWB wordt verleend. Zijns inziens blijft appellant belang houden bij een toetsing van het besluit van 20 augustus 2009. Daarnaast heeft appellant een financieel belang bij de toetsing, nu hij, blijkens de afgegeven toevoeging van de Raad voor de rechtsbijstand, een eigen bijdrage van € 98,-- verschuldigd is.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 9 juni 2009, LJN BJ0878, en 24 november 2010, LJN BO4946) is eerst sprake van (voldoende) procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.

4.2. Ingevolge artikel 4.24, eerste lid, van de Verordening zoals dat luidde ten tijde hier van belang, wordt de sanctie in mindering gebracht op de bijstandsuitkering, met ingang van de eerstvolgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het toepassen van de sanctie aan de belanghebbende bekend is gemaakt.

Het tweede lid bepaalt dat, in afwijking van het eerste lid de sanctie met terugwerkende kracht kan worden toegepast, voor zover de bijstand nog niet is uitbetaald. Ingevolge het derde lid wordt, indien door beëindiging van de uitkering de sanctie niet of niet volledig kan worden uitgevoerd, de sanctie of het restant van de sanctie in mindering gebracht op het gereserveerde vakantiegeld of de nog na te betalen uitkering. Het vierde lid bepaalt dat, indien na toepassing van het derde lid de sanctie nog niet of niet volledig kan worden uitgevoerd, de uitvoering van de sanctie of het restant van de sanctie wordt opgeschort tot wederom een uitkering ingevolge de wet wordt verleend. Ingevolge het vijfde lid, aanhef en onder c, wordt definitief van verdere uitvoering afgezien, nadat sinds de eerste dag van de maand, volgend op de maand van het besluit tot toepassing van een sanctie een termijn is verstreken van twaalf maanden voor sancties van meer dan 50% gedurende een maand.

4.3. Als gevolg van de uitstroom van appellant uit de bijstand per 16 maart 2009 kon de sanctie, die door de Bestuurscommissie ter uitvoering van de door de voorzieningenrechter van de rechtbank getroffen voorlopige voorziening voorlopig ongedaan was gemaakt, niet opnieuw ten uitvoer worden gelegd. Appellant heeft zich, zoals de gemachtigde van de Bestuurscommissie ter zitting heeft verklaard, eerst na een periode van vijftien maanden - nadat zijn arbeidsovereenkomst was ontbonden en zijn recht op WW-uitkering was geëindigd - weer bij de Sociale Dienst Drechtsteden gemeld met een verzoek om bijstand. Aan appellant is opnieuw bijstand toegekend. De sanctie is daarbij niet met toepassing van artikel 4.14, vierde lid, van de Verordening alsnog uitgevoerd. Gelet op artikel 4.24, vijfde lid, van de Verordening kon dat ook niet meer. Ter zitting van de Raad heeft de vertegenwoordigster van het Drechtstedenbestuur dat bevestigd. Hier is derhalve de situatie aan de orde waarin definitief moest worden afgezien van het uitvoeren van de op 23 april 2008 opgelegde sanctie. Appellant kan dan ook niet meer bereiken wat hij met zijn hoger beroep nastreeft. Hij heeft daarom geen actueel procesbelang bij een beoordeling van zijn hoger beroep.

4.4. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 juli 2009, LJN BJ3666) kan geen procesbelang worden ontleend aan de door appellant verzochte veroordeling tot vergoeding van proceskosten. Met betrekking tot de door appellant gevorderde vergoeding van de eigen bijdrage uit hoofde van de verleende toevoeging overweegt de Raad dat in een bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht een limitatieve opsomming is gegeven van proceshandelingen waarvoor een forfaitaire vergoeding kan worden gegeven en dat in vergoeding van de in verband met een afgegeven toevoeging te betalen bijdrage daarbij niet is voorzien.

4.5. Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 vloeit voort dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) I. Mos.