Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR7044

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-08-2011
Datum publicatie
08-09-2011
Zaaknummer
09-4314 WWB + 10-35 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlaging bijstandsuitkering omdat appellante niet heeft voldaan aan de arbeidsverplichtingen. Het opleggen van de verplichting tot het tekenen van een arbeidscontract, waarmee de betrokkene zich onder meer verbindt om arbeid te verrichten, is niet goed verenigbaar met het eerst nog laten onderzoeken van de geschiktheid tot het verrichten van werk, tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst. Dit klemt te meer omdat appellante, daarin gesteund door GZ psycholoog, zich vanwege lichamelijke en geestelijke klachten niet tot werken in staat achtte. Het is appellante niet te verwijten dat zij op

1 augustus 2008 en op 1 september 2009 het arbeidscontract met WSD niet heeft getekend. Het College heeft zich ten onrechte bevoegd geacht de bijstand om die reden te verlagen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 9
Wet werk en bijstand 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2011/230
RSV 2011/323
USZ 2011/283
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4314 WWB

10/35 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Breda van 20 juli 2009, 08/5505 (hierna aangevallen uitspraak 1) en van 9 december 2009, 09/1168 (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Oisterwijk (hierna: College)

Datum uitspraak: 9 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Schreurs, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2011. Appellante is, zoals vooraf bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Rombouts, werkzaam bij de gemeente Oisterwijk.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving, ten tijde hier van belang, bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Appellante heeft op 13 juni 2008 een trajectplan ondertekend dat ziet op deelname aan het traject “Op stap naar werk”. In het kader van dit traject zijn met appellante de mogelijkheden om deel te nemen aan het arbeidsproces bij werkgever WSD besproken. Appellante heeft vervolgens op 1 augustus 2008 geweigerd een arbeidscontract met WSD te tekenen.

1.3. Bij besluit van 20 augustus 2008 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 1 augustus 2008 voor de duur van één maand met 20% verlaagd.

1.4. Op 19 augustus 2008 heeft appellante geweigerd een arbeidscontract met WSD, ingaande 1 september 2008, te ondertekenen. Bij besluit van 2 oktober 2008 heeft het College de bijstand van appellante met ingang van 1 september 2008 voor de duur van één maand met 40% verlaagd.

1.5. Bij besluit van 11 november 2008 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 augustus 2008, voor zover hier van belang, ongegrond verklaard. Bij besluit van 3 maart 2009 heeft het College het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 oktober 2008, voor zover hier van belang, ongegrond verklaard. Aan beide besluiten is ten grondslag gelegd dat appellante niet heeft voldaan aan de arbeidsverplichtingen, omdat zij zowel op 1 augustus 2008 als op 1 september 2008 niet heeft deelgenomen aan het traject “Op stap naar werk”.

2. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten van 11 november 2008 en van 3 maart 2009 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij vanwege haar slechte gezondheid niet kon deelnemen aan het re-integratietraject. Ter toelichting verwijst zij naar de rapportage van R.M. van Noort, arts voorzieningen bij Argonaut Advies, van 22 maart 2009. Van Noort concludeert onder meer dat appellante op psychische gronden nu niet in staat is deel te nemen aan een re-integratietraject. Appellante stelt zich op het standpunt dat de omstandigheden, zoals gebleken tijdens het onderzoek in november 2008, niet anders zijn dan in augustus en september 2008.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB, voor zover hier van belang, is de belanghebbende verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling.

Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

De in het onderhavige geval van toepassing zijnde verordening als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB is de Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand (hierna: Afstemmingsverordening).

In artikel 2, tweede lid, van de Afstemmingsverordening is bepaald dat de verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.

4.2. De Raad stelt vast dat het traject “Op stap naar werk” inhoudt dat deelnemers een dienstverband met een omvang variërend van minimaal 20 tot maximaal 36 uur per week gedurende de periode van één jaar krijgen aangeboden. De eerste maand van het traject is bedoeld als diagnosefase, waarin onder meer de fysieke en de psychische geschiktheid voor het verrichten van arbeid wordt beoordeeld. Indien mogelijk kan het verrichten van arbeid al tijdens de diagnose aan de orde zijn. Gebleken medische belemmeringen kunnen meebrengen dat het verrichten van arbeid eerst later in het traject aan de orde komt.

4.3. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van het College te kennen gegeven dat het traject “Op stap naar werk” is aan te merken als een niet-reguliere arbeidsvoorziening, die juist bedoeld is voor belanghebbenden met een grote afstand tot werk. In het kader van dit traject wordt de geschiktheid voor het verrichten van werkzaamheden beoordeeld. Tegelijkertijd wordt aan het traject deelgenomen op basis van een arbeidscontract, met als gevolg dat de bijstandsuitkering wordt beëindigd. Het College stelt zich op het standpunt dat de medische bezwaren van appellante in het kader van dit traject worden betrokken bij het beoordelen van de geschiktheid voor arbeid. Naar de mening van het College is er dan ook geen reden om op voorhand aan te nemen dat appellante op medische gronden niet in staat zou zijn deel te nemen aan het traject.

4.4.1. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of de weigering van appellante om een arbeidscontract te tekenen met WSD is aan te merken als het niet nakomen van gemaakte afspraken in het kader van de arbeidsverplichtingen, zoals opgenomen in een trajectplan en, zo ja, of appellante daarvan een verwijt valt te maken.

4.4.2. De Raad stelt vast dat onderdeel van het trajectplan uitmaakt het aanbieden van een arbeidscontract bij WSD voor de duur van een jaar. Met appellante is afgesproken dat zij door WSD wordt uitgenodigd voor een gesprek en het tekenen van het contract. Niet in geding is dat appellante het arbeidscontract niet heeft getekend.

4.4.3. De Raad is van oordeel dat het College met de inrichting van het traject “Op stap naar werk”, zoals beschreven onder 4.2 en 4.3, een onduidelijke situatie heeft gecreëerd. Het opleggen van de verplichting tot het tekenen van een arbeidscontract, waarmee de betrokkene zich onder meer verbindt om arbeid te verrichten, is niet goed verenigbaar met het eerst nog laten onderzoeken van de geschiktheid tot het verrichten van werk, tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst. Dit klemt te meer omdat appellante, daarin gesteund door GZ psycholoog Kok, zich vanwege lichamelijke en geestelijke klachten niet tot werken in staat achtte. Illustratief voor deze onduidelijkheid acht de Raad dat de vertegenwoordiger van het College ter zitting geen antwoord kon geven op de vraag wat er zou gebeuren, indien het onderzoek tijdens de diagnosefase leidt tot de conclusie dat de belanghebbende niet in staat is tot het verrichten van werkzaamheden.

4.4.4. De hiervoor onder 4.4.3 vermelde omstandigheden in onderling verband bezien leiden de Raad tot het oordeel dat het appellante niet te verwijten is dat zij op

1 augustus 2008 en op 1 september 2009 het arbeidscontract met WSD niet heeft getekend. Dat betekent dat het College zich ten onrechte bevoegd heeft geacht de bijstand van appellante om die reden te verlagen.

4.5. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep van appellante slaagt, zodat de aangevallen uitspraken moeten worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van appellante tegen de besluiten van 11 november 2008 en 3 maart 2009 gegrond verklaren en die besluiten wegens strijd met artikel 18, tweede lid, van de WWB vernietigen. De Raad ziet voorts aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de besluiten van 20 augustus 2008 en 12 oktober 2008 te herroepen, voor zover het betreft de opgelegde maatregel, omdat aan die besluiten in zoverre hetzelfde gebrek kleeft.

5. De Raad zal voorts het College veroordelen in de kosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in bezwaar, € 966,-- in beroep en op € 874,-- in hoger beroep, voor rechtsbijstand, in totaal € 2.484,--.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraken 1 en 2;

Verklaart de beroepen gegrond;

Vernietigt de besluiten van 11 november 2008 en 3 maart 2009;

Herroept de besluiten van 20 augustus 2008 en 12 oktober 2008, voor zover het betreft de opgelegde maatregel;

Veroordeelt het College in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.484,--;

Bepaalt dat het College aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten ten bedrage van in totaal € 300,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2011.

(get.) H.C.P. Venema.

(get.) M.C. Nijholt.