Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BR7039

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-08-2011
Datum publicatie
08-09-2011
Zaaknummer
10-1291 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting ten aanzien van woonadres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1291 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Hertogenbosch van 14 januari 2010, 08/4303 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente 's Hertogenbosch (hierna: College)

Datum uitspraak: 30 augustus 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.W.G.M. Kral, advocaat te Berlicum, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 19 juli 2011. Partijen zijn, zoals tevoren bericht, niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 11 juli 2007 een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Appellante heeft het College opgegeven woonachtig te zijn op het adres [adres] te [plaatsnaam].

1.2. Naar aanleiding van een melding dat appellante feitelijk niet woont op het door haar opgegeven adres is door het Team Handhaving van de Arbeidsmarkt en Sociale Zaken van de regio 's Hertogenbosch een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In het kader hiervan heeft op 9 juni 2008 een gesprek met appellante plaatsgevonden, is aansluitend een verklaring opgenomen van de projectleider maatschappelijke opvang,

F. [S.] van het AZC Rosmalen en heeft dossieronderzoek plaatsgevonden. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapport van 13 juni 2008.

1.3. Op basis van de bevindingen van het onderzoek heeft het College bij besluit van 25 juni 2008 de bijstand van appellante met ingang van 1 juni 2008 beëindigd (lees: ingetrokken). Tevens heeft het College de bijstand over de periode van

1 januari 2008 tot en met 31 mei 2008 herzien (lees: ingetrokken) en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 3.465,80 van appellante teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 28 oktober 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 25 juni 2008 gedeeltelijk gegrond verklaard in die zin dat de begindatum van de terugvordering wordt gewijzigd in 1 februari 2008. Aan de besluitvorming heeft het College ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting ten aanzien van haar woonadres heeft geschonden door niet aan het College mee te delen dat zij haar hoofdverblijf niet langer had in de gemeente 's Hertogenbosch.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 28 oktober 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad overweegt het volgende, waarbij hij voor de hier van belang zijnde wettelijke bepalingen verwijst naar de aangevallen uitspraak.

4.1. De Raad stelt voorop dat de ten aanzien van de intrekking van de bijstand te beoordelen periode loopt van 1 februari 2008, de datum met ingang waarvan de bijstand werd ingetrokken, tot en met 25 juni 2008, de datum van het primaire besluit.

4.2. De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient naar vaste rechtspraak van de Raad te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.3. De Raad is van oordeel dat er in dit geval een toereikende grondslag bestaat voor het standpunt van het College dat appellante niet de juiste inlichtingen heeft verstrekt over haar feitelijke woonsituatie. Daarbij kent de Raad zwaarwegende betekenis toe aan hetgeen appellante op 9 juni 2008 over haar woon- en leefsituatie heeft verklaard en de op dezelfde datum afgelegde verklaring van de projectleider [S.]. Daaruit komt naar voren dat appellante, anders dan zij aan het College heeft gemeld, vanaf januari 2008 niet langer haar hoofdverblijf had in de gemeente 's Hertogenbosch, aangezien zij niet vaker dan 1 à 2 dagen per week in haar kamer in het AZC Rosmalen verblijft.

4.4. In hetgeen appellante heeft aangevoerd over haar beheersing van de Nederlandse taal ziet de Raad geen aanleiding om af te wijken van zijn vaste rechtspraak dat, ook indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, in het algemeen mag worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en door de betrokkene ondertekende verklaring, tenzij sprake is geweest van zodanige bijzondere omstandigheden dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. De Raad heeft hiervoor in dit geval geen toereikende aanknopingspunten gevonden, te minder nu appellante tijdens het verhoor heeft aangegeven de Nederlandse taal te verstaan en te begrijpen en in het Nederlands gehoord te willen worden en uit de verklaring van appellantes casemanager [H.] en het verslag van de hoorzitting is op te maken dat appellante de Nederlandse taal redelijk beheerste.

4.5. Appellante heeft zich nog beroepen op verklaringen van haar broer en haar moeder over haar verblijf in de gemeente 's Hertogenbosch. Die verklaringen bevatten evenwel geen objectieve en verifieerbare gegevens op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat hetgeen appellante zelf heeft verklaard niet juist kan zijn.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand per 1 februari 2008 in te trekken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het College na afweging van de daarbij rechtstreeks betrokken belangen van die bevoegdheid niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken.

4.7. Uit hetgeen onder 4.3 tot en met 4.6 is overwogen vloeit voort dat het College op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de kosten van de aan appellante over de periode van 1 februari 2008 tot en met 31 mei 2008 verleende bijstand terug te vorderen. In hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid tot terugvordering heeft kunnen besluiten. De door appellante genoemde omstandigheden, dat zij als alleenstaande moeder de zorg heeft voor twee jonge kinderen, kosten heeft moeten maken voor het inrichten van een nieuwe woning met daarin een babykamer en niet eerder dan vanaf 9 juli 2008 bijstand heeft aangevraagd bij de gemeente Geleen, zien naar het oordeel van de Raad niet op de gevolgen van de terugvordering.

Appelllante heeft nog aangevoerd dat zij door de terugvordering in financiële problemen wordt gebracht. De Raad is van oordeel dat uit hetgeen zij daarover heeft gesteld niet blijkt dat sprake is van onaanvaardbare financiële consequenties.

De Raad wijst erop dat de tenuitvoerlegging van een besluit tot terugvordering zodanig moet geschieden dat appellante blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet, zoals bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering.

4.8. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2011.

(get.) C. van Viegen.

(get.) I. Mos.

HD